wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Wet van 29 november 1996 tot vaststelling van de gewijzigde Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (aanvulling met onder meer de onderwerpen omvang van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof)

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie; b. rechterlijke ambtenaren: de in de Wet op de rechterlijke organisatie als zodanig aangeduide ambtenaren; c. rector: degene die krachtens artikel 145 van de Wet op de rechterlijke organisatie als rector van de opleiding van de rechterlijke ambtenaren in opleiding is aangewezen; d. burgerlijke rijksambtenaren: burgerlijke rijksambtenaren, werkzaam bij de departementen van algemeen bestuur; e. rechterlijke ambtenaren in opleiding: de rechterlijke ambtenaren in opleiding, bedoeld in artikel 145 van de Wet op de rechterlijke organisatie. 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder functionele autoriteit: a. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een rechtbank en de rechterlijke ambtenaren in opleiding, voorzover de opleiding wordt doorgebracht bij een rechtbank: het bestuur van die rechtbank; b. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een gerechtshof: het bestuur van dat gerechtshof; c. ten aanzien van de vice-presidenten van, de raadsheren in, de raadsheren in buitengewone dienst bij, de griffier en de substituut-griffiers van, alsmede de gerechtsauditeurs bij de Hoge Raad: de president van de Hoge Raad; d. ten aanzien van de plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal, de advocaten-generaal in buitengewone dienst, de plaatsvervangende en de waarnemende advocaten-generaal bij de Hoge Raad: de procureur-generaal bij de Hoge Raad; e. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een arrondissementsparket, alsmede de rechterlijke ambtenaren in opleiding, voor zover de opleiding wordt doorgebracht bij een arrondissementsparket: het hoofd van dat arrondissementsparket; f. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij het landelijk parket: het hoofd van het landelijk parket; g. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een ressortsparket: het hoofd van dat ressortsparket; h. ten aanzien van de hoofden van de parketten: het College van procureurs-generaal; i. ten aanzien van de leden van het College van procureurs-generaal: Onze Minister. j. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren in opleiding gedurende de buitenstage: de rector.

Hoofdstuk 1A. Benoeming, beëdiging, installatie en ambtskostuum

§ 1A.1 Benoeming

Artikel 1a
1. De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet op de rechterlijke organisatie, en de rechterlijke ambtenaren deel uitmakend van het parket bij de Hoge Raad, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 3°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd, met inachtneming van het bepaalde in deze wet. 2. De procureurs-generaal die het College van procureurs-generaal vormen, de advocaten-generaal bij de ressortsparketten, en de officieren van justitie bij de arrondissementsparketten en het landelijk parket worden benoemd bij koninklijk besluit, met inachtneming van het bepaalde in deze wet. 3. De plaatsvervangende advocaten-generaal bij de ressortsparketten en de plaatsvervangende officieren van justitie alsook de officieren enkelvoudige zittingen bij de arrondissementsparketten en het landelijk parket worden benoemd door Onze Minister, tenzij artikel 136, zevende lid, artikel 137, zesde lid, of artikel 138, zesde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie van toepassing is. 4. De gerechtsauditeurs worden benoemd door Onze Minister onderscheidenlijk bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister, indien zij in tijdelijke dienst onderscheidenlijk in vaste dienst worden aangesteld. Zij worden benoemd in de rang van senior-gerechtsauditeur of gerechtsauditeur. Onze Minister benoemt niet onderscheidenlijk doet geen voordracht voor benoeming dan na overleg met de betrokken functionele autoriteit. 5. De griffier van de Hoge Raad en zijn substituten worden benoemd bij koninklijk besluit.

Artikel 1b
1. De benoeming van de president van, een vice-president van of een raadsheer in de Hoge Raad kan op verzoek van de betrokkene, nadat hij de leeftijd van eenenzestig jaren heeft bereikt, bij koninklijk besluit worden gewijzigd in een benoeming als raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad. 2. De benoeming van de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal bij de Hoge Raad kan op verzoek van de betrokkene, nadat hij de leeftijd van eenenzestig jaren heeft bereikt, bij koninklijk besluit worden gewijzigd in een benoeming als advocaat-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad. 3. Een wijziging als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt voor de vaststelling van aanspraken op en verplichtingen ten aanzien van pensioenen en uitkeringen wegens vrijwillig vervroegd uittreden gelijkgesteld met ontslag. Artikel 46n is niet van toepassing op de raadsheren en de advocaten-generaal in buitengewone dienst.

Artikel 1c
Tot rechterlijk ambtenaar kan alleen een Nederlander worden benoemd.

Artikel 1d
1. Tot rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding kan worden benoemd degene: a. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van het recht door een universiteit dan wel de Open Universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad van Master op het gebied van het recht is verleend; b. die op grond van het goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door een universiteit, de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het eerste lid, onderdeel a, gelijk worden gesteld aan de in dat lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht. 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten voor de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1° tot en met 6° en 8°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, en de rechterlijke ambtenaren in opleiding. 4. Aan de bij of krachtens het eerste tot en met derde lid gestelde beroepsvereisten wordt tevens voldaan indien de betrokkene in het bezit is van een ten aanzien van het door hem uit te oefenen beroep afgegeven EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.

Artikel 1e
1. Wanneer bij een rechtbank een plaats van coördinerend vice-president, vice-president, rechter of rechter-plaatsvervanger openvalt, maakt het bestuur van de rechtbank een lijst van aanbeveling van zo mogelijk drie kandidaten op. Deze lijst wordt door tussenkomst van de Raad voor de rechtspraak aangeboden aan de regering om hierop zodanig acht te slaan als zij zal dienstig oordelen. 2. Wanneer bij een gerechtshof een plaats van coördinerend vice-president, vice-president, raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger openvalt, maakt het bestuur van het gerechtshof een lijst van aanbeveling van zo mogelijk drie kandidaten op. Deze lijst wordt door tussenkomst van de Raad voor de rechtspraak aangeboden aan de regering om hierop zodanig acht te slaan als zij zal dienstig oordelen. 3. De gerechtsvergadering kan het bestuur adviseren inzake de lijst van aanbeveling, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, voorzover het de kandidaten betreft die nog niet als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast bij dat gerecht werkzaam zijn. 4. Wanneer bij de Hoge Raad een plaats van raadsheer openvalt, geeft de Hoge Raad daarvan kennis aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De Hoge Raad zendt bij deze kennisgeving een door de Hoge Raad, na overleg met de procureur-generaal bij de Hoge Raad, opgemaakte lijst van aanbeveling van zes kandidaten, waarop de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij het opmaken van haar voordracht zodanig acht zal slaan als zij zal dienstig oordelen.

Artikel 1f
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de benoemingsprocedure ten aanzien van de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal en de advocaten-generaal bij de Hoge Raad, de procureurs-generaal die het College van procureurs-generaal vormen, de advocaten-generaal bij de ressortsparketten alsmede de officieren van justitie bij de arrondissementsparketten en het landelijk parket.

§ 1A.2 Beëdiging en installatie

Artikel 1g
1. Een rechterlijk ambtenaar legt voorafgaand aan de datum van indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in de eerste bijlage bij deze wet. 2. Bij een opvolgende benoeming binnen hetzelfde gerecht of parket wordt een rechterlijk ambtenaar niet opnieuw beëdigd, tenzij het: a. de benoeming van een raadsheer in of een vice-president van de Hoge Raad tot president van de Hoge Raad betreft; b. de benoeming van een advocaat-generaal of een plaatsvervangend procureur-generaal bij de Hoge Raad tot procureur-generaal bij de Hoge Raad betreft; c. de benoeming van een gerechtsauditeur, niet tevens zijnde raadsheer-plaatsvervanger of rechter-plaatsvervanger, of de griffier van de Hoge Raad betreft. 3. De rechterlijk ambtenaar wordt na de datum van indiensttreding geïnstalleerd. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin installatie achterwege blijft. 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de beëdiging en de installatie van rechterlijke ambtenaren. 5. In afwijking van het eerste lid worden niet als zodanig beëdigd de plaatsvervangers van rechtswege alsmede de door het College van procureurs-generaal benoemde plaatsvervangers. 6. Een deskundig lid legt voorafgaand aan de datum van indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in de tweede bijlage bij deze wet.

§ 1A.3 Het ambtskostuum

Artikel 1h
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het ambtskostuum van rechterlijke ambtenaren.

Hoofdstuk 2. Volledige taak en deeltaak

Artikel 2
1. Een rechterlijk ambtenaar wordt aangesteld voor het vervullen van een volledige of een gedeeltelijke taak. 2. Een rechterlijk ambtenaar in opleiding wordt aangesteld voor het vervullen van een volledige taak of, voor zover voorzien bij algemene maatregel van bestuur en met inachtneming van de daarbij gestelde regels, voor het vervullen van een gedeeltelijke taak.

Artikel 3
1. De aanstelling van een rechterlijk ambtenaar kan naar omvang van de taak op zijn verzoek bij koninklijk besluit worden gewijzigd. 2. Met inachtneming van de krachtens artikel 2, tweede lid, gestelde regels, kan de aanstelling van een rechterlijk ambtenaar in opleiding naar omvang van de taak op zijn verzoek bij beschikking van Onze Minister worden gewijzigd.

Artikel 4
1. Op een verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt beslist nadat daarover het advies is ingewonnen van de functionele autoriteit. 2. Op een verzoek als bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt beslist nadat daarover het advies is ingewonnen van de rector en hetzij het bestuur van de rechtbank hetzij het hoofd van het arrondissementsparket.

Artikel 5
1. In afwijking van artikel 2 worden raadsheren in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, raadsheren-plaatsvervangers, rechters-plaatsvervangers, advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, plaatsvervangende advocaten-generaal, plaatsvervangende officieren van justitie en plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen niet aangesteld voor het vervullen van een volledige of een gedeeltelijke taak. 2. Zij kunnen voor het verrichten van werkzaamheden worden opgeroepen door de president van de Hoge Raad, door het bestuur van het desbetreffende gerechtshof, door het bestuur van de desbetreffende rechtbank, door de procureur-generaal bij de Hoge Raad, onderscheidenlijk door het hoofd van het desbetreffende parket.

Artikel 6
1. Raadsheren-plaatsvervangers, rechters-plaatsvervangers, plaatsvervangende advocaten-generaal, plaatsvervangende officieren van justitie en plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen kunnen op hun verzoek tijdelijk worden aangewezen voor het vervullen van een volledige of een gedeeltelijke taak. 2. De aanwijzing geschiedt voor een bepaalde tijd en kan worden verlengd. De tijdsduur van aanwijzing en verlenging te zamen kan niet meer dan drie jaar bedragen. Een volgende aanwijzing is slechts mogelijk indien sinds de beëindiging van de vorige aanwijzing ten minste zes maanden zijn verstreken. 3. De aanwijzing kan naar de omvang van de taak op verzoek van de belanghebbende worden gewijzigd. 4. Op een aanwijzing, een verlenging van de aanwijzing of een tussentijdse wijziging van de aan de aanwijzing verbonden taak is artikel 4, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. 5. Een aanwijzing, een verlenging of een wijziging van de aanwijzing geschiedt voor zover het plaatsvervangende advocaten-generaal, plaatsvervangende officieren van justitie en plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen betreft bij beschikking van Onze Minister en overigens bij koninklijk besluit.

Hoofdstuk 3. Bezoldiging en andere financiële arbeidsvoorwaarden

Artikel 7
1. Voor de bepaling van hun bezoldiging worden de rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambtenaren in opleiding ingedeeld in de volgende categorieën: categorie 1: president van en procureur-generaal bij de Hoge Raad; categorie 2: vice-president van en plaatsvervangend procureur-generaal bij de Hoge Raad; categorie 3: raadsheer in en advocaat-generaal bij de Hoge Raad; procureur-generaal, lid van het College van procureurs-generaal; hoofdofficier bij de arrondissementsparketten te Amsterdam, ‘s-Gravenhage en Rotterdam; hoofdofficier bij het landelijk parket; categorie 4: hoofdadvocaat-generaal; hoofdofficier bij de overige arrondissementsparketten; categorie 5: coördinerend vice-president van een gerechtshof; categorie 6: fungerend hoofdofficier; categorie 7: vice-president van een gerechtshof; coördinerend vice-president van een rechtbank; plaatsvervangend hoofdadvocaat-generaal; plaatsvervangend hoofdofficier; categorie 8: raadsheer in een gerechtshof; vice-president van een rechtbank; ressorts-advocaat-generaal; officier eerste klasse; categorie 9: rechter in een rechtbank; officier; categorie 10: gerechtsauditeur, tevens raadsheer-plaatsvervanger in het gerechtshof waarbij hij is aangesteld; gerechtsauditeur, tevens rechter-plaatsvervanger in de rechtbank waarbij hij is aangesteld; substituut-officier; officier enkelvoudige zittingen; senior-gerechtsauditeur; categorie 11: gerechtsauditeur; categorie 11a: griffier van de Hoge Raad; categorie 12: rechterlijk ambtenaar in opleiding. 2. In de bij deze wet behorende tweede bijlage is, overeenkomstig de indeling in het eerste lid, het salaris vermeld dat de rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambtenaren in opleiding die zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige taak maandelijks genieten.

Artikel 8
1. Rechterlijke ambtenaren of rechterlijke ambtenaren in opleiding die zijn aangesteld voor het vervullen van een gedeeltelijke taak, ontvangen een salaris dat een met hun taak overeenkomend deel bedraagt van het salaris dat zij zouden hebben ontvangen indien zij in hetzelfde ambt zouden zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige taak. 2. De rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding voor wie de arbeidsduur op basis van artikel 20, eerste lid, op meer dan gemiddeld 36 uur per week is vastgesteld, ontvangt een salaris voor het vervullen van een volledige taak, vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor, bedoeld in artikel 20, vierde lid.

Artikel 9
1. Raadsheren-plaatsvervangers, rechters-plaatsvervangers, plaatsvervangende advocaten-generaal, plaatsvervangende officieren van justitie en plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen die zijn aangewezen om tijdelijk een volledige of een gedeeltelijke taak te vervullen en die niet reeds uit anderen hoofde als rechterlijk ambtenaar of als rechterlijk ambtenaar in opleiding worden bezoldigd, ontvangen over de periode van hun aanwijzing een salaris op de voet van de artikelen 7 en 8. 2. Raadsheren-plaatsvervangers, rechters-plaatsvervangers, plaatsvervangende advocaten-generaal, plaatsvervangende officieren van justitie en plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen die niet zijn aangewezen om tijdelijk een volledige of een gedeeltelijke taak te vervullen en die niet reeds uit anderen hoofde als rechterlijk ambtenaar of als rechterlijk ambtenaar in opleiding worden bezoldigd, ontvangen een vergoeding volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. 3. Voor de toepassing van het eerste lid: a. wordt een raadsheer-plaatsvervanger gelijk gesteld met een raadsheer in hetzelfde gerechtshof; b. wordt een rechter-plaatsvervanger gelijk gesteld met een rechter in of een vice-president van dezelfde rechtbank; c. wordt een plaatsvervangend advocaat-generaal gelijk gesteld met een advocaat-generaal bij hetzelfde ressortsparket; d. wordt een plaatsvervangend officier van justitie gelijkgesteld met een substituut-officier of met een officier, door Onze Minister van Justitie bij de aanwijzing te bepalen; e. wordt een plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen gelijkgesteld met een officier enkelvoudige zittingen of met een gerechtsauditeur, door Onze Minister van Justitie bij de aanwijzing te bepalen.

Artikel 10
Raadsheren in buitengewone dienst bij en advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad ontvangen een vergoeding voor verrichte werkzaamheden volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 12
1. Aan de rechterlijk ambtenaar die is belast met de waarneming van een ander ambt waarop deze wet van toepassing is en waaraan een hoger maximum salaris is verbonden, wordt, wanneer de waarneming ten minste 30 dagen heeft geduurd, voor de duur van de waarneming een toelage toegekend. 2. Het bedrag van de toelage is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de rechterlijk ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten als hij met ingang van de dag waarop de waarneming is ingegaan in het door hem waargenomen ambt zou zijn benoemd.

Artikel 13
1. Indien in de bijlage, bedoeld in artikel 7, tweede lid, voor het salaris van een rechterlijk ambtenaar of een rechterlijk ambtenaar in opleiding een schaal is opgenomen, geniet deze bij de eerste benoeming met ingang van de datum van indiensttreding het als eerste in de schaal vermelde salaris en vervolgens telkens na één jaar het daarna in de schaal vermelde salaris. 2. Van het eerste lid kan worden afgeweken in het besluit waarin de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding wordt benoemd. 3. Indien Onze Minister en de te benoemen rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding geen overeenstemming kunnen bereiken over de toepassing van het tweede lid, wordt beslist nadat een gezamenlijk advies is uitgebracht door een president van een gerechtshof, een president van een rechtbank en een andere met rechtspraak belaste rechterlijk ambtenaar, allen aangewezen door Onze Minister.

Artikel 14
Bij een opvolgende benoeming in een ambt waaraan een hoger maximum salaris is verbonden en waarvoor in de bijlage een schaal is opgenomen, geschiedt de inpassing in die schaal, met ingang van de datum van indiensttreding, op het naast hogere bedrag. De jaarlijkse verhoging tot het daarna in de schaal vermelde salaris blijft geschieden op dezelfde dag van het jaar als waarop die overeenkomstig artikel 13 plaatsvond.

Artikel 15
Bij een opvolgende benoeming in een ambt waaraan een gelijk maximum salaris is verbonden en waarvoor in de bijlage een schaal is opgenomen, geschiedt de inpassing in die schaal van de rechterlijk ambtenaar die nog niet het aan dat ambt verbonden maximum salaris geniet, met ingang van de datum van indiensttreding, op het naast hogere bedrag. De jaarlijkse verhoging tot het daarna in de schaal vermelde salaris blijft geschieden op dezelfde dag van het jaar als waarop die overeenkomstig artikel 13 plaatsvond.

Artikel 16
1. De rechterlijke ambtenaren die zijn aangesteld of aangewezen voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke taak, en de rechterlijke ambtenaren in opleiding hebben, overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de burgerlijke rijksambtenaren, aanspraak op een vakantie-uitkering, een ziektekostenvergoeding, een vergoeding van reis- en verblijfkosten en een vergoeding van verplaatsingskosten. 2. Bovendien genieten zij een uitkering ter zake van veeljarige dienst op de tijdstippen en tot de bedragen die gelden voor de burgerlijke rijksambtenaren. Bij de bepaling van de diensttijd wordt rekening gehouden met tijd in overheidsdienst doorgebracht, overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de burgerlijke rijksambtenaren.

Artikel 17
1. Het genot van de bezoldiging vangt aan met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding in dienst treedt. 2. Bij overgang naar een andere functie binnen de rijksoverheid wordt, indien dit ambt wordt aanvaard met ingang van een dag waarop het einde van de aanstelling in het oude rechterlijke ambt nog niet is ingegaan, de bezoldiging in dit oude ambt niet langer uitbetaald dan tot de dag waarop het genot van de bezoldiging in het nieuwe ambt aanvangt. 3. De bezoldiging wordt per maand genoten. 4. Indien een aanspraak op een verhoging van de bezoldiging ontstaat op een andere dag dan de eerste dag van een kalendermaand, wordt het nieuwe salaris genoten vanaf de eerste dag van die kalendermaand. 5. Indien de bezoldiging moet worden berekend over een gedeelte van een maand, wordt de bezoldiging per dag gesteld op 1/30 deel van de bezoldiging per maand.

Artikel 18
1. De bezoldiging van de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van overlijden. 2. Zo spoedig mogelijk na het overlijden wordt aan de weduwe of de weduwnaar van wie de overleden rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden. Als maatstaf geldt de bezoldiging die de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding op de dag van het overlijden genoot. Onder weduwe of weduwnaar van wie de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding niet duurzaam gescheiden leefde, wordt mede begrepen de achtergebleven geregistreerde partner alsmede de nabestaande levenspartner met wie de niet gehuwde rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding samenwoonde en, met het oogmerk duurzaam samen te leven, een gemeenschappelijke huishouding voerde op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner worden aangemerkt. 3. De uitkering wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan drie maal de vakantie-uitkering over een maand. Als maatstaf geldt de bezoldiging die de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding in de maand van het overlijden zou hebben genoten. 4. Bij ontstentenis van een weduwe of weduwnaar van wie de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen worden mede verstaan natuurlijke kinderen waarover de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. 5. Ontbreken ook minderjarige kinderen, dan geschiedt, indien de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, de uitkering ten behoeve van deze nagelaten betrekkingen.

Artikel 19
De bepalingen die voor burgerlijke rijksambtenaren gelden ten aanzien van het gelijktijdig genot van burgerlijke en militaire beloning, vinden overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bezoldigde rechterlijke ambtenaren, met dien verstande dat voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren van de aan hun ambt verbonden bezoldiging nimmer minder ontvangen dan het bedrag, waarmede deze bezoldiging hun militaire bezoldiging overtreft.

Hoofdstuk 4. Arbeidsduur, werktijd en werkverdeling

Artikel 20
1. De arbeidsduur bedraagt bij een volledige taak gemiddeld 36 uur per week. Op verzoek van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding kan de arbeidsduur in hele uren worden vastgesteld op meer dan gemiddeld 36 uur per week, waarbij een maximum geldt van gemiddeld 40 uur per week. Dit verzoek wordt toegewezen, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. Een verzoek tot het vaststellen van de arbeidsduur op meer dan 36 uur per week wordt niet toegewezen aan: a. de rechterlijk ambtenaar wiens gemiddelde werktijd op basis van artikel 38d van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren is teruggebracht; b. de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die betaald ouderschapsverlof geniet; c. de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die op basis van artikel 39 buitengewoon verlof geniet; d. de rechterlijk ambtenaar aan wie op zijn verzoek gedeeltelijk ontslag is verleend met het oog op een uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 1.5 van het Pensioenreglement; e. de arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, waarbij een verminderde arbeidsprestatie is vastgesteld. 2. Voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding met een volledige taak bedraagt het aantal te werken uren in een jaar: het aantal kalenderdagen, verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en met de niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen, bedoeld in artikel 21, vijfde lid, in dat jaar, vermenigvuldigd met 7,2. 3. Voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding met een gedeeltelijke taak bedraagt het aantal te werken uren in een jaar een evenredig deel van het aantal uren, berekend overeenkomstig het tweede lid. 4. Het aantal te werken uren in een jaar, bedoeld in het tweede lid, wordt voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding, voor wie de arbeidsduur op basis van het eerste lid op meer dan gemiddeld 36 uur per week is vastgesteld, vermenigvuldigd met de arbeidsduurfactor. De arbeidsduurfactor is een breuk waarvan de teller bestaat uit de voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit 36. 5. Het aantal te werken uren, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, wordt rekenkundig op hele uren afgerond. 6. In afwijking van artikel 3 berust de bevoegdheid tot het vaststellen van de arbeidsduur op meer dan gemiddeld 36 uur per week als bedoeld in het eerste lid bij de functionele autoriteit. 7. Onder de Stichting Pensioenfonds ABP wordt in dit artikel verstaan de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP.

Artikel 21
1. De functionele autoriteit stelt voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding, in overeenstemming met deze, een werktijdregeling vast. Voor een rechterlijk ambtenaar in opleiding die een deelstage van zijn binnenstage elders dan bij een rechtbank of arrondissementsparket doorbrengt, geschiedt die vaststelling door de rector. 2. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en tevoren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werktijden. In de werktijdregeling wordt het aantal te werken uren, bedoeld in artikel 20, tweede, derde of vierde lid, vermeld. Het in de werktijdregeling opgenomen aantal te werken uren is op jaarbasis niet hoger dan gemiddeld 40 uur per week. 3. Op verzoek van de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding kan, indien het belang van de taakvervulling zich daartegen niet verzet, een werktijdregeling worden vastgesteld waarbij het aantal te werken uren gelijk is aan het aantal kalenderdagen per jaar, verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen, bedoeld in het vijfde lid, vermenigvuldigd met acht. De bepalingen die terzake gelden voor de burgerlijke rijksambtenaren zijn van overeenkomstige toepassing. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding voor wie de arbeidsduur op basis van artikel 20, eerste lid, op meer dan gemiddeld 36 uur per week is vastgesteld, kan geen verzoek doen als bedoeld in de eerste volzin. 4. Van de vastgestelde werktijdregeling kan slechts worden afgeweken voor een beperkte duur en indien het belang van de taakvervulling dit naar het oordeel van degene die de werktijdregeling ingevolge het eerste lid heeft vastgesteld, onvermijdelijk maakt. 5. Geen werkzaamheden worden opgedragen op zondagen en dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen, tenzij het belang van de taakvervulling dit naar het oordeel van de functionele autoriteit onvermijdelijk maakt. 6. Op zaterdag kunnen werkzaamheden worden opgedragen, mits het belang van de taakvervulling daartoe naar het oordeel van de functionele autoriteit aanleiding geeft. 7. In bijzondere gevallen kan van de vaststelling van een werktijdregeling als bedoeld in het eerste lid worden afgezien. In dat geval zijn deartikelen 20 en 21, vierde, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22
1. Het bestuur van de rechtbank onderscheidenlijk van het gerechtshof verdeelt de werkzaamheden van de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast die werkzaam zijn bij het gerecht. 2. Het hoofd van het parket verdeelt de werkzaamheden van de rechterlijke ambtenaren bij het parket. 3. De president van de Hoge Raad, het bestuur van het gerechtshof onderscheidenlijk het bestuur van de rechtbank verdeelt de werkzaamheden van de gerechtsauditeurs die zijn aangesteld bij het desbetreffende gerecht. 4. Het bestuur van de rechtbank onderscheidenlijk het hoofd van het arrondissementsparket verdeelt de werkzaamheden van de rechterlijke ambtenaren in opleiding voorzover zij hun opleiding doorbrengen bij die rechtbank onderscheidenlijk dat parket. 5. Van de in het eerste tot en met vierde lid bedoelde verdeling van werkzaamheden kan slechts worden afgeweken voor een beperkte duur en indien het belang van de taakvervulling dit naar het oordeel van de functionele autoriteit onvermijdelijk maakt.

Hoofdstuk 5. Vakantie en verlof

Paragraaf 5.1 Vakantie

Artikel 23
1. Rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding hebben aanspraak op vakantie met behoud van hun volle bezoldiging. 2. De aanspraak op vakantie wordt uitgedrukt in uren per kalenderjaar. Zo nodig vindt afronding naar boven plaats.

Artikel 24
1. De omvang van de aanspraak op vakantie is afhankelijk van de leeftijd en van de taakomvang van de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding. 2. De aanspraak op vakantie bedraagt 165,6 uren per kalenderjaar bij een volledige taak. 3. De aanspraak op vakantie wordt, afhankelijk van de leeftijd die de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verhoogd volgens onderstaande tabel:
leeftijd:

verhoging:

van 45 tot en met 49 jaar

7,2 uren

van 50 tot en met 54 jaar

14,4 uren

van 55 tot en met 59 jaar

21,6 uren

van 60 tot en met 64 jaar

28,8 uren

van 65 tot en met 70 jaar

36 uren

4. De aanspraak op vakantie wordt voor degene die een aanstelling of aanwijzing voor een gedeeltelijke taak heeft, vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een volledige taak. 5. De ingevolge het tweede en derde lid geldende aanspraak op vakantie wordt voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding voor wie de arbeidsduur op basis van artikel 20, eerste lid, op meer dan gemiddeld 36 uur per week is vastgesteld, vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor, bedoeld in artikel 20, vierde lid.

Artikel 25
Indien wijziging wordt aangebracht in de arbeidsduur van de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding, wordt de aanspraak op vakantie over een eventueel resterend gedeelte van het desbetreffende kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe arbeidsduur. De tot aan de datum van ingang van de wijziging verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd gehandhaafd.

Artikel 26
Bij indiensttreding of bij het einde van de aanstelling of aanwijzing in de loop van een kalenderjaar wordt de aanspraak op vakantie naar evenredigheid vastgesteld.

Artikel 27
1. Over kalendermaanden gedurende welke de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding in afwijking van de voor hem geldende werktijdregeling in het geheel geen werkzaamheden verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantie. Over kalendermaanden gedurende welke hij in afwijking van de voor hem geldende werktijdregeling gedeeltelijk werkzaamheden verricht, heeft hij slechts aanspraak op vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van zijn taak dat hij feitelijk vervult. De eerste en tweede volzin zijn eerst van toepassing nadat de rechterlijk ambtenaar dan wel de rechterlijk ambtenaar in opleiding gedurende een periode van 30 aaneengesloten kalenderdagen geheel of gedeeltelijk geen werkzaamheden verricht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. indien de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding als gevolg van ziekte zijn werkzaamheden niet of slechts gedeeltelijk verricht, en de verhindering tot het verrichten van werkzaamheden korter duurt dan 26 weken, waarbij de tijdvakken worden samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van 30 aaneengesloten kalenderdagen of minder opvolgen, b. in geval van genoten zwangerschaps- en bevallingsverlof, c. in geval van genoten vakantie, d. in geval van genoten adoptie- of pleegverlof.

Artikel 27a
1. Indien het belang van de dienst zich daartegen niet verzet, kan de functionele autoriteit op verzoek van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding eenmaal per kalenderjaar de voor die rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding ingevolge artikel 24, tweede tot en met vierde lid, geldende aanspraak op vakantie verlagen. 2. Het aantal uren vakantie waarmee de aanspraak kan worden verlaagd bedraagt ten hoogste het aantal uren vakantie waarop de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft, verminderd met 144 uren indien hij is aangesteld of aangewezen voor het vervullen van een volledige taak, dan wel verminderd met een in evenredigheid lager aantal uren indien hij is aangesteld of aangewezen voor het vervullen van een gedeeltelijke taak. De aanspraak op vakantie kan alleen worden verlaagd met een aantal uren vakantie dat deelbaar is door het getal vier. 3. Het aantal uren vakantie waarmee de aanspraak van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding, voor wie de arbeidsduur op basis van artikel 20, eerste lid, op meer dan gemiddeld 36 uur per week is vastgesteld, kan worden verlaagd, bedraagt ten hoogste het aantal uren vakantie waarop de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft, verminderd met: 144 uur vermenigvuldigd met de voor de voor hem geldende arbeidsduurfactor, bedoeld in artikel 20, vierde lid. 4. Onze Minister stelt vast voor welke datum verzoeken als bedoeld in het eerste lid kunnen worden ingediend. 5. De functionele autoriteit beslist op of na de in het derde lid bedoelde datum gelijktijdig op de voor die datum ingediende verzoeken. 6. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding ontvangt voor elk uur vakantie waarmee zijn aanspraak op vakantie overeenkomstig het eerste en tweede lid wordt verlaagd, een vergoeding ten bedrage van het salaris per uur dat hij geniet op de door Onze Minister krachtens het derde lid vastgestelde datum.

Artikel 28
1. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding is vrij om vast te stellen wanneer hij vakantie opneemt, voor zover het belang van de taakvervulling zich daartegen naar het oordeel van de functionele autoriteit niet verzet. 2. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die is aangesteld of aangewezen voor een volledige taak dient in elk kalenderjaar ten minste 108 uren vakantie op te nemen, waarvan ten minste 72 uren over een aaneengesloten periode. 3. Voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die is aangesteld of aangewezen voor het vervullen van een gedeeltelijke taak wordt de op grond van het tweede lid geldende verplichting vastgesteld op een evenredig deel van de verplichting bij een volledige taak. 4. Het aantal uren vakantie, bedoeld in het tweede lid, wordt voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding voor wie de arbeidsduur op basis van artikel 20, eerste lid, op meer dan gemiddeld 36 uur per week is vastgesteld, vermenigvuldigd met de arbeidsduurfactor, bedoeld in artikel 20, vierde lid.

Artikel 29
1. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding gedurende de binnenstage meldt het voornemen vakantie op te nemen tijdig aan de functionele autoriteit. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de president van en de procureur-generaal bij de Hoge Raad, de leden van het College van procureurs-generaal en de hoofden van de parketten.

Artikel 30
Indien de taakvervulling dat dringend noodzakelijk maakt, kan de functionele autoriteit, bedoeld in artikel 29, aan de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding opdragen reeds opgenomen vakantie in te trekken, zowel voor als tijdens de vakantie. Indien deze door het intrekken van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze aan hem vergoed.

Artikel 31
Niet opgenomen vakantie, waaronder eventueel van vorige jaren overgeboekte vakantie, wordt naar het volgende kalenderjaar overgeboekt tot een maximum van de aanspraak van de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding over een vol kalenderjaar berekend op grond van deartikelen 24 tot en met 27, verminderd met de in artikel 28, tweede, derde en vierde lid, bedoelde vakantie.

Artikel 32
1. Indien de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding op de datum van het einde van zijn aanstelling nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij nog niet heeft opgenomen, een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat hij direct voorafgaand aan het einde van zijn aanstelling genoot. De vergoeding wordt berekend met inachtneming van artikel 31 en uitgaande van het salaris en de taak zoals die direct voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband voor hem golden en de leeftijd welke hij bereikt in het kalenderjaar van het einde van zijn aanstelling. 2. Indien op de dag van het einde van zijn aanstelling blijkt dat de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding teveel vakantie heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie een bedrag verschuldigd ten bedrage van het salaris per uur. 3. In geval van overgang zonder onderbreking naar een andere functie binnen de rijksoverheid in de loop van een kalenderjaar kan de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding, in afwijking van het eerste lid, ervoor kiezen de vakantieaanspraken van het lopende kalenderjaar die niet genoten zijn, te behouden. Daarbij wordt de vakantie die in het lopende kalenderjaar is genoten in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.

Paragraaf 5.2 Verlof

Artikel 33
1. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, geniet verlof. Hij behoudt gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging voor zover dit bij of krachtens de wet is bepaald. 2. Indien het gerecht of het parket waarbij de rechterlijk ambtenaar werkzaam is dan wel waar de rechterlijk ambtenaar in opleiding de opleiding doorbrengt, op een daartoe aangewezen kerkelijke of nationale, landelijk, regionaal of plaatselijk erkende feest- of gedenkdag is gesloten, geniet hij verlof met behoud van bezoldiging voor zover de taakvervulling zich daartegen naar het oordeel van de functionele autoriteit niet verzet.

Artikel 34
1. Het calamiteiten- en ander kort verzuimverlof, bedoeld in artikel 4:1 van de Wet arbeid en zorg, wordt verleend voor een daarbij te bepalen periode. 2. Voor de toepasselijkheid van de artikelen 4:3, eerste lid, en 4:4 van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: functionele autoriteit.

Artikel 35
1. In afwijking van artikel 5:6 van de Wet arbeid en zorg behoudt de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding gedurende het kortdurend zorgverlof, bedoeld in artikel 5:1 van de Wet arbeid en zorg, aanspraak op doorbetaling van de volledige bezoldiging. 2. In afwijking van artikel 5:2 van de Wet arbeid en zorg bedraagt het verlof van een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding per kalenderjaar ten hoogste twee maal de arbeidsduur per week. 3. Voor de toepasselijkheid van de artikelen 5:3 tot en met 5:5 van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: functionele autoriteit. 4. In afwijking van artikel 5:4, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg vangt het verlof niet aan en eindigt het zodra aan de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding kenbaar wordt gemaakt dat de taakvervulling zich tegen het opnemen van het verlof respectievelijk de voortzetting daarvan ernstig verzet. 5. In afwijking van artikel 5:4, derde lid, van de Wet arbeid en zorg kan de functionele autoriteit die, nadat een melding hem bereikt heeft, niet aangeeft dat het belang van de taakvervulling zich ernstig verzet tegen het opnemen van het kortdurend zorgverlof, zich nadien niet op dat belang beroepen.

Artikel 36
1. De vrouwelijke rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding behoudt gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg, aanspraak op doorbetaling van de volledige bezoldiging. 2. Indien de vrouwelijke rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding aan wie zwangerschaps- en bevallingsverlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin de financiële tegemoetkoming wordt genoten een inhouding toegepast op de doorbetaling van de bezoldiging ter grootte van die financiële tegemoetkoming. 3. Indien de vrouwelijke rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding aan de voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het tweede lid voldoet, maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat zij daarvoor geen aanvraag heeft ingediend, wordt de financiële tegemoetkoming geacht onverminderd te zijn genoten en wordt het tweede lid overeenkomstig toegepast. 4. Voor de toepasselijkheid van artikel 3:3, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: functionele autoriteit.

Artikel 37
1. In afwijking van artikel 6:1, eerste en tweede lid, van de Wet arbeid en zorg behoudt de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding over de uren waarop hem ouderschapsverlof wordt verleend 75 procent van zijn bezoldiging. 2. Voor de toepasselijkheid van artikel 6:2, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «arbeidsduur per week» verstaan: arbeidsduur per week, uitgaande van de arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof ingaat. 3. Indien de arbeidsduur van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding gedurende het ouderschapsverlof wijzigt, wordt de aanspraak op verlof opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de mate waarin de arbeidsduur is gewijzigd en de mate waarin de periode gedurende welke het verlof wordt genoten is verstreken. 4. Indien het verlof op basis van artikel 6:2, vierde lid, onderdeel b, van de Wet arbeid en zorg is opgedeeld in perioden en de arbeidsduur van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding tussen twee van die perioden wijzigt, is het derde lid van overeenkomstige toepassing. 5. Voor de toepasselijkheid van de artikelen 6:2, vierde en vijfde lid, 6:5, eerste, derde en vierde lid, en 6:6 van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: functionele autoriteit. 6. In afwijking van artikel 6:2, vijfde lid, van de Wet arbeid en zorg wordt een verzoek als bedoeld in artikel 6:2, vierde lid, van diezelfde wet van een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding toegewezen, tenzij de taakvervulling zich hiertegen ernstig verzet. 7. In afwijking van artikel 6:5, derde lid, van de Wet arbeid en zorg kan de spreiding van de uren ouderschapsverlof over de week worden gewijzigd op grond van gewichtige redenen met betrekking tot de taakvervulling. 8. In afwijking van artikel 6:6, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt een verzoek van een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding om het verlof op grond van onvoorziene omstandigheden niet op te nemen of niet voort te zetten toegewezen, tenzij de taakvervulling zich hiertegen ernstig verzet. 9. Indien het verlof op grond van artikel 6:2, vierde lid, onderdeel b, van de Wet arbeid en zorg is opgedeeld in perioden, zijn het zevende en achtste lid op iedere periode van toepassing. 10. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding is verplicht tot terugbetaling van de bezoldiging over de genoten uren ouderschapsverlof wanneer zijn aanstelling tijdens de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van het verlof wordt beëindigd op verzoek, dan wel niet op verzoek op grond van aan hem te wijten feiten of omstandigheden. Beëindiging op verzoek gevolgd door een overgang binnen een maand naar een andere functie binnen de rijksoverheid wordt niet als beëindiging van de aanstelling beschouwd. Onze Minister kan, gehoord de functionele autoriteit, de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding ontheffen van de in de eerste volzin bedoelde verplichting, indien er bijzondere omstandigheden zijn die dat naar zijn oordeel rechtvaardigen.

Artikel 38
1. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding behoudt gedurende het adoptieverlof, bedoeld in artikel 3:2 van de Wet arbeid en zorg, aanspraak op doorbetaling van de volledige bezoldiging. 2. Indien de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding aan wie adoptieverlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin de financiële tegemoetkoming wordt genoten een inhouding toegepast op de doorbetaling van de bezoldiging ter grootte van de financiële tegemoetkoming. 3. Indien de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding aan de voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het tweede lid voldoet, maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat hij daarvoor geen aanvraag heeft ingediend, wordt de financiële tegemoetkoming geacht onverminderd te zijn genoten en wordt het tweede lid overeenkomstig toegepast. 4. Voor de toepasselijkheid van de artikelen 3:2, tweede lid, en 3:3, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: functionele autoriteit. 5. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die een pleegkind opneemt als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d, van de Wet arbeid en zorg.

Artikel 39
1. Aan een rechterlijk ambtenaar, die is aangesteld of aangewezen voor het vervullen van een volledige of een gedeeltelijke taak, of een rechterlijk ambtenaar in opleiding kan op zijn verzoek door de functionele autoriteit buitengewoon verlof al dan niet met behoud van bezoldiging worden verleend. De verlening geschiedt voor een daarbij te bepalen periode. Aan de verlening kunnen voorschriften worden verbonden. 2. Het buitengewoon verlof gaat niet eerder in dan na aanvaarding van dat verlof met de daaraan verbonden voorschriften door de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding. 3. In geval van buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging heeft de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding geen aanspraak op vakantie.

Hoofdstuk 6. Overige rechten en plichten

Artikel 40
1. De rechterlijke ambtenaren – met uitzondering van de raadsheren in buitengewone dienst, de advocaten-generaal in buitengewone dienst en de plaatsvervangers – en de rechterlijke ambtenaren in opleiding kunnen door de functionele autoriteit worden verplicht te gaan of blijven wonen in of nabij de gemeente waarin het gerecht of parket waarbij zij zijn aangesteld is gevestigd, indien dit naar het oordeel van die functionele autoriteit in verband met de goede vervulling van hun taak noodzakelijk is. 2. Aan deze verplichting moet worden voldaan binnen twee jaar nadat zij is opgelegd.

Artikel 41
1. Onze Minister kan een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar of een rechterlijk ambtenaar in opleiding verplichten tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen. 2. Een besluit als in het eerste lid bedoeld wordt genomen nadat daarover het advies is ingewonnen van de functionele autoriteit.

Artikel 42
1.
Voor schade die een rechterlijk ambtenaar of een rechterlijk ambtenaar in opleiding bij de vervulling van zijn taak aan een derde toebrengt en waarvoor hij zelf krachtens de wet aansprakelijk zou zijn, is jegens de derde uitsluitend de Staat aansprakelijk.

2.
Voor schade als bedoeld in het eerste lid en voor schade die hij bij de vervulling van zijn taak aan de Staat toebrengt, is een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding jegens de Staat niet aansprakelijk, behalve voor zover de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.

3.
Voor schade die een gevolg is van een rechterlijke uitspraak is een rechterlijk ambtenaar niet aansprakelijk.

4.
Onze Minister kan de betrokken rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding bij besluit verplichten om ter zake van schade waarvoor deze op grond van het tweede lid aansprakelijk is, aan de Staat ter finale kwijting een vergoeding te betalen.

5.
In het besluit wordt het bedrag van de vergoeding vermeld. Indien het bedrag nog niet kan worden vastgesteld, worden de reden daarvan en zo mogelijk een voorlopige raming van het bedrag in het besluit vermeld, waarna Onze Minister zo spoedig mogelijk bij afzonderlijk besluit het bedrag vaststelt.

Artikel 43
1. Een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding onthoudt zich van het openbaren van gedachten of gevoelens en van de uitoefening van de rechten tot vereniging, tot vergadering en tot betoging, indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn taak of het goede functioneren van de rechterlijke macht niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. 2. Het eerste lid is, voor zover het betreft het recht van vereniging, niet van toepassing op het lidmaatschap van: a. een politieke groepering, waarvan de aanduiding is ingeschreven overeenkomstig de Kieswet, of b. een vakvereniging.

Artikel 44
1. Rechterlijke ambtenaren – met uitzondering van de plaatsvervangers – en rechterlijke ambtenaren in opleiding gedurende de binnenstage kunnen niet tevens advocaat, procureur of notaris zijn dan wel anderszins van het verlenen van rechtskundige bijstand een beroep maken. 2. Rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding gedurende de binnenstage geven de functionele autoriteit kennis van de betrekkingen die zij buiten hun ambt vervullen. Zo mogelijk geschiedt de kennisgeving zodra het voornemen bestaat tot het gaan vervullen van de betrekking. 3. De functionele autoriteit houdt een register bij waarin de in het tweede lid, eerste volzin, bedoelde betrekkingen zijn opgenomen. Het register ligt ter inzage bij het desbetreffende gerecht, het desbetreffende parket dan wel het parket-generaal. 4. Onze Minister geeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad kennis van de betrekkingen die de leden van het College van procureurs-generaal buiten hun ambt vervullen.

Artikel 45
1. Aan een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die is benoemd of verkozen in een functie in een publiekrechtelijk college wordt, tenzij het belang van een goede taakvervulling zich daartegen verzet, door de functionele autoriteit gelegenheid gegeven tot het bijwonen van vergaderingen en zittingen van dat college en voor het verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van dat college. 2. Aan een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding wordt, tenzij het belang van een goede taakvervulling zich daartegen verzet, door de functionele autoriteit gelegenheid gegeven tot het verrichten van of het deelnemen aan activiteiten op de terreinen, bedoeld in artikel 48, eerste of derde lid, voor of van een vakvereniging.

Artikel 46
1. Aan een rechterlijk ambtenaar of een rechterlijk ambtenaar in opleiding kan door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een rechterlijk ambtenaar betreft die werkzaam is bij een gerechtshof of rechtbank, door de functionele autoriteit naar billijkheid een schadeloosstelling, een vergoeding van kosten of overigens een geldelijke tegemoetkoming worden verleend. 2. Een afschrift van een beslissing van Onze Minister als bedoeld in het eerste lid wordt gezonden aan de functionele autoriteit van de betrokken rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding. 3. De functionele autoriteit, bedoeld in het eerste lid, stelt de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid om advies uit te brengen inzake een voorgenomen besluit tot verlening van een schadeloosstelling, een kostenvergoeding of een geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid die op jaarbasis meer dan € 5 000 bedraagt. Indien de Raad voor de rechtspraak advies heeft uitgebracht, zendt de functionele autoriteit een afschrift van het vervolgens genomen besluit aan de Raad voor de rechtspraak. 4. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, regels geven omtrent schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan groepen van rechterlijke ambtenaren of rechterlijke ambtenaren in opleiding.

Artikel 46a
1. De functionele autoriteit besteedt aan de wijze waarop de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar zijn taak vervult regelmatig aandacht door middel van het houden van evaluatiegesprekken. 2. Een gesprek als bedoeld in het eerste lid, vindt in elk geval plaats wanneer de functionele autoriteit dit wenselijk acht of de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar hierom verzoekt. 3. Van een gesprek als bedoeld in het eerste lid, maakt de functionele autoriteit een schriftelijk verslag op. De voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze omtrent dit verslag kenbaar te maken. Van deze zienswijze wordt melding gemaakt in het verslag. 4. Indien de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij een gerechtshof of een rechtbank, wordt in het eerste tot en met derde lid onder functionele autoriteit verstaan: het bestuur van dat gerechtshof onderscheidenlijk die rechtbank, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid van dit bestuur.

Hoofdstuk 6A. Disciplinaire maatregelen, schorsing en ontslag

§ 6A.1 Algemeen

Artikel 46b
Dit hoofdstuk is alleen van toepassing op de voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren.

§ 6A.2 Disciplinaire maatregelen

Artikel 46c
1. Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar kan de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing worden opgelegd, indien hij: a. de waardigheid van zijn ambt, zijn ambtsbezigheden of zijn ambtsplichten verwaarloost; b. de bepalingen overtreedt waarbij hem het uitoefenen van een beroep wordt verboden, een vast en voortdurend verblijf wordt aangewezen, verboden wordt zich in een onderhoud of een gesprek in te laten met partijen of haar advocaten, procureurs of gemachtigden of een bijzondere inlichting of schriftelijk stuk van hen aan te nemen, of de verplichting wordt opgelegd een geheim te bewaren. 2. Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar kan de disciplinaire maatregel van ontslag worden opgelegd, indien hij door handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen. 3. Aan de rechterlijk ambtenaar die zich schuldig maakt aan een van de gedragingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan de disciplinaire maatregel van ontslag worden opgelegd, indien hem eerder wegens een gelijke overtreding de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing is opgelegd.

Artikel 46d
1. De disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing wordt opgelegd: a. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een rechtbank en daarvan niet tevens president zijn: door de rechterlijk ambtenaar die tevens president van die rechtbank is; b. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een gerechtshof en daarvan niet tevens president zijn, alsmede de rechterlijke ambtenaren die tevens president zijn van een rechtbank binnen het rechtsgebied van een gerechtshof: door de rechterlijk ambtenaar die tevens president van dat gerechtshof is; c. ten aanzien van de vice-presidenten van, de raadsheren in en de raadsheren in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, alsmede de rechterlijke ambtenaren die tevens president zijn van een gerechtshof: door de president van de Hoge Raad; d. ten aanzien van de plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad: door de procureur-generaal bij de Hoge Raad. 2. De disciplinaire maatregel van ontslag wordt door de Hoge Raad opgelegd.

Artikel 46e
1. Een disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing wordt niet opgelegd dan nadat de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van het gerechtshof of de rechtbank, de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk de procureur-generaal bij de Hoge Raad, de betrokken rechterlijk ambtenaar in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen. 2. Van het mondeling naar voren brengen van de zienswijze wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de betrokken rechterlijk ambtenaar en door degene te wiens overstaan de zienswijze naar voren wordt gebracht, wordt ondertekend. Weigert de rechterlijk ambtenaar het proces-verbaal te ondertekenen, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Aan de rechterlijk ambtenaar wordt een afschrift van het proces-verbaal verstrekt.

§ 6A.3 Schorsing

Artikel 46f
1. Een rechterlijk ambtenaar wordt door de Hoge Raad geschorst, indien: a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt; b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld dan wel hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft; c. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surséance van betaling heeft gekregen, dan wel wegens schulden is gegijzeld. 2. Een rechterlijk ambtenaar kan door de Hoge Raad worden geschorst, indien: a. tegen hem een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf is ingesteld; b. er een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag, anders dan op grond van deartikelen 46h en 46i, zouden kunnen leiden.

Artikel 46g
1. In een geval als bedoeld in artikel 46f, tweede lid, eindigt de schorsing na drie maanden. De Hoge Raad kan de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen. 2. De Hoge Raad beëindigt de schorsing zodra de grond voor deze maatregel is vervallen. 3. De Hoge Raad kan bij de beslissing, waarbij de rechterlijk ambtenaar wordt geschorst, bepalen dat tijdens de duur van de schorsing geen salaris of slechts een daarbij te bepalen gedeelte van het salaris zal worden genoten. 4. Indien de schorsing anders dan door ontslag eindigt, kan de Hoge Raad beslissen dat het niet genoten salaris geheel of voor een daarbij te bepalen gedeelte alsnog zal worden uitbetaald.

§ 6A.4 Ontslag en herplaatsing

Artikel 46h
1. De rechterlijk ambtenaar wordt op eigen verzoek bij koninklijk besluit ontslagen. 2. Met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de rechterlijk ambtenaar de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, wordt aan hem bij koninklijk besluit ontslag verleend.

Artikel 46i
1. De rechterlijk ambtenaar kan, wanneer hij wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, door de Hoge Raad worden ontslagen, indien: a. de ongeschiktheid twee jaar onafgebroken heeft geduurd; b. herstel van zijn ziekte binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten; en c. na een zorgvuldig onderzoek door de functionele autoriteit het niet mogelijk is gebleken om hem bij een gerecht dan wel binnen het gezagsbereik van Onze Minister een andere taak op te dragen als bedoeld in artikel 46k, dan wel hij heeft geweigerd deze opdracht te aanvaarden. 2. Bij het bepalen van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden niet in aanmerking genomen afwezigheid van een rechterlijk ambtenaar wegens door zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot de eerste dag van het zwangerschapsverlof en afwezigheid van een rechterlijk ambtenaar wegens ziekte in de periode van de eerste dag van het zwangerschapsverlof tot en met de laatste dag van het bevallingsverlof. 3. Voor het bepalen van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden tijdvakken van ongeschiktheid samengeteld: a. indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; b. indien zij worden onderbroken door afwezigheid wegens ziekte als bedoeld in het tweede lid; of c. indien een onder b bedoelde afwezigheid wordt voorafgegaan of wordt gevolgd door een periode van arbeidsgeschiktheid, die in totaal minder dan vier weken bedraagt. 4. In afwijking van het eerste lid kan het ontslag, indien de daar bedoelde voorwaarden zijn vervuld en de rechterlijk ambtenaar daarom verzoekt, worden verleend bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Voor de rechtsgevolgen wordt dit ontslag gelijkgesteld met een door de Hoge Raad overeenkomstig het eerste lid verleend ontslag. 5. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op de raadsheren in buitengewone dienst bij en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, de raadsheren-plaatsvervangers in de gerechtshoven en de rechters-plaatsvervangers in de rechtbanken.

Artikel 46j
1. Om te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 46i, eerste lid, onderdelen a en b, wordt door de functionele autoriteit medisch advies ingewonnen bij een daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, aangewezen arts. Deze arts stelt naar aanleiding van zijn bevindingen een rapport op, dat wordt toegezonden aan de functionele autoriteit en in afschrift aan de betrokken rechterlijk ambtenaar. 2. De in het eerste lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling een door de functionele autoriteit aangewezen arts en, indien de rechterlijk ambtenaar dit wenst, een door de rechterlijk ambtenaar aangewezen arts. 3. De functionele autoriteit stelt de rechterlijk ambtenaar er schriftelijk van op de hoogte dat de in het eerste lid bedoelde procedure zal worden ingesteld en dat de rechterlijk ambtenaar bevoegd is desgewenst een arts aan te wijzen. Deze kennisgeving geschiedt niet eerder dan nadat de rechterlijk ambtenaar gedurende een onafgebroken periode van achttien maanden ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte en in ieder geval op een zodanig tijdstip dat de procedure met betrekking tot het medisch advies uiterlijk binnen een periode van vierentwintig maanden ongeschiktheid afgerond kan zijn.

Artikel 46k
1.
Aan de rechterlijk ambtenaar kan, wanneer hij wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, door de Hoge Raad een andere taak worden opgedragen bij een gerecht dan wel binnen het gezagsbereik van Onze Minister.

2.
Gedurende het eerste jaar dat de rechterlijk ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, is hij verplicht een hem opgedragen taak te aanvaarden indien sprake is van passende arbeid als bedoeld in artikel 30 van de Ziektewet.

3.
Gedurende het tweede jaar en de daarop volgende jaren dat de rechterlijk ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, is hij verplicht een hem opgedragen taak te aanvaarden indien sprake is van gangbare arbeid als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

4.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien aan de rechterlijk ambtenaar de eigen taak wordt opgedragen onder andere voorwaarden.

5.
In afwijking van het eerste lid kan de opdracht, indien de daar bedoelde voorwaarden zijn vervuld en de rechterlijk ambtenaar daarom verzoekt, worden gegeven bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Voor de rechtsgevolgen wordt een zodanige opdracht gelijkgesteld met een door de Hoge Raad overeenkomstig het eerste lid gegeven opdracht.

6.
Indien de rechterlijk ambtenaar een andere taak wordt opgedragen die wordt vervuld in een ambt waarin hij niet voor het leven wordt benoemd, wordt hij door de Hoge Raad onderscheidenlijk bij koninklijk besluit tevens ontslagen als voor het leven benoemd rechterlijk ambtenaar.

7.
Indien de rechterlijk ambtenaar een taak wordt opgedragen die wordt vervuld in een ambt waarin hij voor het leven wordt benoemd en die taak minder uren omvat dan zijn oorspronkelijke taak, wordt hij door de Hoge Raad onderscheidenlijk bij koninklijk besluit tevens ontslagen voor het meerdere aantal uren.

8.
Het eerste tot en met zevende lid zijn niet van toepassing op de raadsheren in buitengewone dienst bij en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, de raadsheren-plaatsvervangers in de gerechtshoven en de rechters-plaatsvervangers in de rechtbanken.

Artikel 46l
1. De rechterlijk ambtenaar wordt door de Hoge Raad ontslagen, indien hij: a. ongeschikt is voor het verrichten van zijn taak, anders dan wegens ziekte; b. een ambt of betrekking aanvaardt dat onderscheidenlijk die volgens de wet onverenigbaar is met het door hem beklede ambt; c. het Nederlanderschap verliest. 2. In afwijking van het eerste lid wordt het ontslag in geval van ongeschiktheid voor het verrichten van de taak, anders dan wegens ziekte, indien de rechterlijk ambtenaar daarom verzoekt, verleend bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Voor de rechtsgevolgen wordt dit ontslag gelijk gesteld met een door de Hoge Raad overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a, verleend ontslag. 3. Voor de beoordeling of sprake is van ongeschiktheid voor het verrichten van de taak, anders dan wegens ziekte, wordt advies ingewonnen bij een commissie van drie deskundigen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent nadere regels gesteld.

Artikel 46m
De rechterlijk ambtenaar kan door de Hoge Raad worden ontslagen, indien hij:

a. bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld dan wel hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft; b. bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surséance van betaling heeft verkregen, dan wel wegens schulden is gegijzeld.

Artikel 46n
1. Ingeval van een ontslag ingevolge de artikelen 46c, tweede en derde lid, 46l of 46m kan de Hoge Raad een voorziening treffen onderscheidenlijk kan bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister een voorziening worden getroffen waarbij de rechterlijk ambtenaar een uitkering wordt verleend die naar het oordeel van de Hoge Raad onderscheidenlijk Onze Minister met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. 2. De uitkering is ten hoogste gelijk aan het voor de rechterlijk ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en een krachtens artikel 54, tweede lid, getroffen besluit ter zake van werkloosheid, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet. 3. Op de uitkering zijn voor het overige de Werkloosheidswet en het krachtens artikel 54, tweede lid, getroffen besluit ter zake van werkloosheid, van overeenkomstige toepassing. 4. Indien de rechterlijk ambtenaar ter zake van hetzelfde ontslag recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of een krachtens artikel 54, tweede lid, getroffen besluit ter zake van werkloosheid, vervalt de door de Hoge Raad of bij koninklijk besluit toegekende uitkering.

§ 6A.5 Procedure bij de Hoge Raad

Artikel 46o
1. De Hoge Raad neemt de in dit hoofdstuk bedoelde beslissingen op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Over herziening van een uitkering als bedoeld in artikel 46n, tweede lid, en over beëindiging van een schorsing beslist de Hoge Raad op vordering van de procureur-generaal dan wel op verzoek van de betrokken rechterlijk ambtenaar. 2. De vordering van de procureur-generaal, bedoeld in het eerste lid, geschiedt ambtshalve dan wel naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van de functionele autoriteit van de betrokken rechterlijk ambtenaar. Indien de betrokken rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij een gerechtshof of een rechtbank en daarvan niet tevens president is, wordt in de eerste volzin onder functionele autoriteit verstaan: de rechterlijk ambtenaar die tevens president van dat gerechtshof onderscheidenlijk die rechtbank is. Indien de betrokken rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij een gerechtshof onderscheidenlijk een rechtbank en daarvan tevens president is, wordt in de eerste volzin onder functionele autoriteit verstaan: de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk de rechterlijk ambtenaar die tevens president is van het gerechtshof tot het rechtsgebied waarvan die rechtbank behoort. 3. De procureur-generaal vordert het ontslag of de schorsing van een rechterlijk ambtenaar niet dan nadat hij de rechterlijk ambtenaar in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen. Van het mondeling naar voren brengen van de zienswijze wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de betrokken rechterlijk ambtenaar en de procureur-generaal wordt ondertekend. Weigert de rechterlijk ambtenaar het proces-verbaal te ondertekenen, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Aan de rechterlijk ambtenaar wordt een afschrift van het proces-verbaal verstrekt. 4. De vordering wordt door de procureur-generaal gemotiveerd en schriftelijk ingesteld. Bij de vordering wordt in elk geval het proces-verbaal, bedoeld in het derde lid, gevoegd.

Artikel 46p
1. Het onderzoek door de Hoge Raad geschiedt in raadkamer. 2. De betrokken rechterlijk ambtenaar wordt uitgenodigd om bij het onderzoek aanwezig te zijn en daarbij, zo gewenst, zijn mening kenbaar te maken. De uitnodiging gaat vergezeld van een afschrift van de ingestelde vordering en van de daarbij gevoegde stukken. 3. De Hoge Raad kan, hetzij op verzoek van de procureur-generaal of de betrokken rechterlijk ambtenaar, hetzij ambtshalve, getuigen oproepen en horen. 4. De Hoge Raad beslist bij met redenen omkleed arrest. De uitspraak geschiedt in het openbaar. 5. De Hoge Raad doet aan het betrokken gerecht onderscheidenlijk het parket bij de Hoge Raad alsmede aan Onze Minister onverwijld mededeling van beslissingen waarbij een rechterlijk ambtenaar wordt ontslagen of geschorst, de schorsing wordt verlengd of beëindigd, dan wel hem bij ongeschiktheid wegens ziekte een andere taak wordt opgedragen. 6. De Hoge Raad doet aan Onze Minister alsmede aan het betrokken gerecht onderscheidenlijk het parket bij de Hoge Raad onverwijld mededeling van beslissingen waarbij een uitkering als bedoeld in artikel 46n, tweede lid, wordt toegekend, herzien of ingetrokken.

Artikel 46q
Indien het ontslag, de schorsing of het bij ongeschiktheid wegens ziekte opdragen van een andere taak van de procureur-generaal in het geding is, worden de in deartikelen 46o en 46p aan de procureur-generaal toegekende bevoegdheden en verplichtingen uitgeoefend door de plaatsvervangend procureur-generaal.

Hoofdstuk 7. Beroep

Artikel 47
1. Een belanghebbende kan tegen een besluit of een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een rechterlijk ambtenaar als zodanig of een rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn, beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. 2. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit tot benoeming, aanstelling of aanwijzing, tenzij het beroep wordt ingesteld door een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden. 3. Een belanghebbende kan bij de Centrale Raad van Beroep tevens beroep instellen tegen een schriftelijke beslissing of een handeling, genomen of verricht door een onafhankelijk, bij wet ingesteld met rechtspraak belast orgaan, door de voorzitter of een lid van een zodanig orgaan, door het bestuur van een zodanig orgaan of de voorzitter van dat bestuur, door de Raad voor de rechtspraak, dan wel door de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal bij de Hoge Raad, waarbij een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar als zodanig, een nagelaten betrekking of rechtverkrijgende belanghebbende is. 4. Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van beslissingen van de Hoge Raad als bedoeld in hoofdstuk 6A, vorderingen als bedoeld in artikel 46o tot het nemen van deze beslissingen, alsmede schriftelijke beslissingen en handelingen genomen of verricht door de president van de Hoge Raad.

Hoofdstuk 8. Overleg

Artikel 48
1. Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand – met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd – van de rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambtenaren in opleiding, wordt niet beslist dan nadat daarover door Onze Minister overleg is gevoerd met de Sectorcommissie rechterlijke macht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de regelingen, bedoeld in artikel 49, een en ander voor zover in het overleg over deze regelingen niet is voorzien in een bevoegdheid om aanvullende of afwijkende voorzieningen te treffen ten behoeve van de functionarissen, bedoeld in het eerste lid. 3. Over algemene aangelegenheden met betrekking tot de rechtspleging wordt door Onze Minister overleg gevoerd met de Sectorcommissie rechterlijke macht, indien een deelnemer aan het overleg dat verzoekt. 4. Het overleg, bedoeld in het eerste en het derde lid, wordt op een zodanig tijdstip gevoerd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de te nemen besluiten.

Artikel 49
Het overleg met betrekking tot regelingen die specifiek betrekking hebben op overheids- en onderwijspersoneel in het algemeen, bedoeld in artikel 1 van de Regeling overleg Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid, heeft eveneens betrekking op de rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambtenaren in opleiding.

Artikel 50
1. De deelnemers aan het overleg, bedoeld in artikel 48, eerste en derde lid, zijn de Sectorcommissie rechterlijke macht en Onze Minister. 2. De Sectorcommissie rechterlijke macht bestaat uit vertegenwoordigers van: a. de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak; b. andere door Onze Minister tot het overleg toegelaten verenigingen of centrales van verenigingen van ambtenaren, die onder meer gelet op het aantal rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding dat zij vertegenwoordigen, eveneens als representatief kunnen worden aangemerkt en tegen wier toelating het algemeen belang zich niet verzet. 3. Ten aanzien van de Sectorcommissie rechterlijke macht kunnen bij algemene maatregel van bestuur over de volgende onderwerpen nadere regels worden gesteld: de samenstelling, de werkwijze, de besluitvorming, de stemverhouding daaronder begrepen, de onderwerpen waarover de Sectorcommissie Onze Minister dient in te lichten, de intrekking en schorsing van de toelating van verenigingen of centrales van verenigingen tot de Sectorcommissie, en de schorsing van vertegenwoordigers in de Sectorcommissie. 4. Onze Minister is voorzitter van het overleg. Onze Minister kan een ambtenaar machtigen als voorzitter van het overleg op te treden. 5. De deelnemers aan het overleg kunnen zich, na overleg met de voorzitter, doen bijstaan door deskundigen of adviseurs. 6. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de inrichting van het overleg.

Artikel 51
1. Voorstellen strekkende tot invoering, wijziging of intrekking van regelingen welke aangelegenheden betreffen waarop artikel 48, eerste lid, betrekking heeft en waaraan individuele functionarissen als bedoeld in artikel 48, eerste lid, rechten kunnen ontlenen dan wel die plichten voor hen kunnen meebrengen, worden slechts ten uitvoer gebracht indien daarover overeenstemming bestaat met de Sectorcommissie rechterlijke macht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op voorstellen strekkende tot: a. invoering of wijziging van een wettelijke regeling die betrekking heeft op alle burgers of alle werknemers, waaronder begrepen de functionarissen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, b. invoering of wijziging van een wettelijke regeling voor de functionarissen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, met een overeenkomstige inhoud als een voorstel tot invoering of wijziging van een wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn, c. vantoepassingverklaring op de functionarissen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, van een wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn en met die vantoepassingverklaring samenhangende wijzigingen in voor functionarissen als bedoeld in artikel 48, eerste lid, geldende regelingen, een en ander mits het totaal van rechten en plichten van de functionarissen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, of d. implementatie van verplichtingen voortvloeiend uit een internationaal verdrag. 3. Indien in een overleg een geschil ontstaat over de vraag of bij een voorstel als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt voldaan aan de voorwaarde dat het totaal van rechten en plichten over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, wordt dat geschil onderworpen aan een arbitrale uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie, bedoeld in artikel 53, eerste lid.

Artikel 52
1. Indien tijdens het overleg met de Sectorcommissie rechterlijke macht over voorstellen als bedoeld in artikel 48, eerste lid, de voorzitter onderscheidenlijk een of meer leden van de Sectorcommissie rechterlijke macht tot het oordeel komt dat het overleg niet tot een uitkomst zal leiden die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, brengt diegene dat oordeel binnen drie dagen nadat daarvan in het overleg blijk is gegeven, schriftelijk ter kennis aan de leden van de Sectorcommissie rechterlijke macht onderscheidenlijk aan de voorzitter van het overleg en de overige leden van de Sectorcommissie rechterlijke macht. 2. Binnen vijf dagen na de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, schrijft de voorzitter een bijzondere vergadering uit. De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven. In deze vergadering wordt nagegaan of: a. het overleg wordt voortgezet of wordt beëindigd, dan wel b. overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de Advies- en Arbitragecommissie dan wel door middel van onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie. 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop het advies kan worden ingewonnen dan wel het geschil aan een arbitrale uitspraak kan worden onderworpen. 4. Het overleg wordt voortgezet twee weken na ontvangst van het advies van de Advies- en Arbitragecommissie.

Artikel 53
1. Er is een Advies- en Arbitragecommissie, die tot taak heeft te adviseren dan wel een arbitrale uitspraak te doen in de geschillen die haar ingevolge artikel 51, derde lid, of artikel 52, tweede lid, onderdeel b, worden voorgelegd. Ten aanzien van de samenstelling van de Advies- en Arbitragecommissie is artikel 110g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de Advies- en Arbitragecommissie voor de behandeling van aangelegenheden op grond van artikel 51, derde lid, of artikel 52, tweede lid, onderdeel b, wordt uitgebreid met twee leden en hun plaatsvervangers, benoemd door Onze Minister. Van hen worden één lid en zijn plaatsvervanger benoemd op voordracht van de Sectorcommissie rechterlijke macht. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent deze voordracht door de Sectorcommissie rechterlijke macht. 2. Tot het inwinnen van een advies van de Advies- en Arbitragecommissie is zowel de voorzitter van het overleg als de Sectorcommissie rechterlijke macht bevoegd. 3. Voor het onderwerpen van het geschil aan een arbitrale uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie overeenkomstig artikel 52, tweede lid, onderdeel b, is overeenstemming vereist tussen de deelnemers aan het overleg. 4. De arbitrale uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie heeft bindende kracht. 5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de samenstelling en de werkwijze van de Advies- en Arbitragecommissie.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 54
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter aanvulling van hetgeen in deze wet is geregeld, voor de rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambtenaren in opleiding nadere arbeidsvoorwaarden worden vastgesteld. Daarbij kan worden afgeweken van de bepalingen, bedoeld in de artikelen 16 en 19. 2. Voorts kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot: a. aanstelling, schorsing en ontslag, behoudens de voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren, b. wachtgeld, c. voorzieningen in verband met ziekte, d. bescherming bij de arbeid, e. overige rechten en plichten, f. disciplinaire straffen, g. arbeidsduur, werktijd, werkverdeling, vakantie en verlof.

Artikel 55
Deze wet wordt aangehaald als: Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

Artikel 56 [Vervallen per 01-06-1999]

Artikel 57 [Vervallen per 01-06-1999]

Artikel 58 [Vervallen per 01-06-1999]

Artikel 59 [Vervallen per 01-06-1999]

Artikel 60 [Vervallen per 01-06-1999]

Artikel 61 [Vervallen per 01-06-1999]

Artikel 62 [Vervallen per 01-06-1999]

Artikel 63 [Vervallen per 01-06-1999]

Artikel 64 [Vervallen per 01-06-1999]

Artikel 65 [Vervallen per 01-06-1999]

Artikel 66 [Vervallen per 01-06-1999]

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ‘s-Gravenhage, 29 november 1996
Beatrix

De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de tiende december 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

Bijlage Eerste. als bedoeld in artikel 1g, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
Formulier voor het afleggen van de eed of belofte als bedoeld in artikel 1g, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren door de rechterlijk ambtenaar;

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.

Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.

Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij een rechtsgeding heeft of zal krijgen waarin mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.

Ik zweer/beloof dat ik mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een goed rechterlijk ambtenaar betaamt.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!

Op ……………….., werd te ………………..

ten overstaan van (1) ………………..

door (2) ………………..

de bovenvermelde eed/belofte afgelegd.

de ………………..

(1) ………………..

(2) ………………..

Krachtens de wet is de rechterlijk ambtenaar verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover hij bij de uitoefening van zijn taak de beschikking krijgt en waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens zover enig wettelijk voorschrift tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Daarbij is de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast verplicht tot geheimhouding van hetgeen in de raadkamer over aanhangige zaken is geuit. De rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast mag zich niet op enige wijze inlaten met partijen of hun advocaten, procureurs of gemachtigden over enige voor hem aanhangig geschil of een geschil waarvan hij weet of vermoedt dat deze voor hem aanhangig wordt.

Bijlage Tweede. als bedoeld in artikel 1g, zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
Formulier voor het afleggen van de eed of belofte als bedoeld in artikel 1g, zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren door het deskundig lid;

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.

Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.

Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij een rechtsgeding zal krijgen waarbij ik als deskundig lid betrokken zou kunnen zijn.

Ik zweer/beloof dat ik mijn werk als deskundig lid met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een goed deskundig lid betaamt.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!

Op ……………….. werd te ………………..

Ten overstaan van (1) ……………….., en

Door (2) ………………..

De bovenvermelde eed/belofte afgelegd.

de ………………..

(1) ………………..

(2) ………………..

Krachtens de wet is het deskundig lid verplicht tot geheimhouding van hetgeen in de raadkamer over aanhangige zaken is geuit. Daarbij is het deskundig lid verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover hij bij de uitoefening van zijn taak de beschikking krijgt en waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens zover enig wettelijk voorschrift tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Bijlage Derde. als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren