besluit algemene rechtspositie politie

Besluit van 16 maart 1994, houdende vaststelling van de algemene rechtspositie van de politie
Hoofdstuk I. Algemene bepaling

Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; b. aspirant: degene die door het bevoegd gezag is aangesteld als aspirant en die is toegelaten tot een initiële opleiding; c. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak: de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Politiewet 1993, met uitzondering van de aspirant gedurende het theoretische opleidingsdeel; d. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie: de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 1993, waarbij voor de toepassing van dit besluit de ambtenaar, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs, werkzaam bij het LSOP en de ambtenaar werkzaam bij ITO, worden gelijkgesteld met ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 1993; e. bijzondere ambtenaar van politie: de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Politiewet 1993; f. vakantiewerker: een scholier of student die ten tijde van onderbreking van zijn opleiding wegens vakantie, voor een periode van ten hoogste acht weken is aangesteld voor het verrichten van ondersteunende werkzaamheden; g. ITO: de Organisatie Informatie- en communicatietechnologie OOV; h. het LSOP: het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs; i. ambtenaar: de adspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, de bijzondere ambtenaar van politie en de vakantiewerker; j. volledige betrekking: een betrekking die een arbeidstijd van gemiddeld 36 uur per week omvat; k. deelbetrekking: een betrekking die een arbeidstijd van gemiddeld minder dan 36 uur per week omvat; l. bevoegd gezag: 1°. de korpsbeheerder, voor zover het betreft de adspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die werkzaam is bij een regionaal politiekorps; 2°. Onze Minister, voor zover het betreft de adspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die werkzaam is bij het Korps landelijke politiediensten of bij ITO; 3°. Onze Minister van Justitie, voor zover het betreft de bijzondere ambtenaar van politie; 4°. de raad van toezicht van het LSOP, voor zover het betreft de ambtenaren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs; 5°. het college van bestuur van het LSOP, voor zover het betreft de ambtenaren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs; m. salaris: hetgeen daaronder in het Besluit bezoldiging politie wordt verstaan; n. bezoldiging: hetgeen daaronder in het Besluit bezoldiging politie wordt verstaan; o. detachering: tijdelijke tewerkstelling elders dan bij het regionale korps waarbij de ambtenaar is aangesteld, bij het Korps landelijke politiediensten, bij het LSOP dan wel bij ITO; p. arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998; q. deskundige persoon: een deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet. r. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; s. zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de Ziektewet; t. arts: een in Nederland gevestigde arts, die als arts is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg; u. passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd; v. plaats van tewerkstelling: 1. het gebouw, gebouwencomplex of terrein dat de ambtenaar voor de normale uitoefening van zijn ambt is aangewezen; 2. de aangewezen aanlegplaats van het vaartuig dat de ambtenaar voor de normale uitoefening van zijn taak gebruikt of 3. bij gebrek aan een aanwijzing, bedoeld in het eerste en tweede onderdeel, het gebouw, gebouwencomplex, of terrein, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht, het gebouwencomplex waar hij kantoor houdt, dan wel de aanlegplaats waar hij gewoonlijk het vaartuig aanlegt; w. hoofdplaats van tewerkstelling: de plaats van tewerkstelling, bedoeld in artikel 10, tweede lid; x. werkgebied: 1. Indien het betreft een ambtenaar die werkzaam is bij een regionaal politiekorps: de desbetreffende regio, het door het bevoegde gezag aangewezen gedeelte van een regio waarin de plaats van tewerkstelling van die ambtenaar is gelegen, een plaats van tewerkstelling waarover dit bevoegde gezag het medebeheer uitoefent indien deze plaats van tewerkstelling is gelegen buiten de regio, dan wel de regio’s van de desbetreffende samenwerkende regionale politiekorpsen tezamen indien de ambtenaar werkzaam is ten behoeve van een bovenregionaal rechercheteam als bedoeld in de Regeling nationale en bovenregionale recherche. 2. indien het betreft een ambtenaar die werkzaam is bij het Korps landelijke politiediensten, of een bijzondere ambtenaar van politie: Nederland dan wel het door het bevoegd gezag aangewezen gedeelte van Nederland waarin de plaats van tewerkstelling is gelegen of 3. indien het betreft een ambtenaar, werkzaam bij het LSOP of bij ITO: het door het bevoegd gezag aangewezen gedeelte van Nederland waarin de plaats van tewerkstelling is gelegen; y. beroepsziekte: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten; z. dienstongeval: een ongeval, welk in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten; aa Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; bb. Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP; cc. AFUP-opbouwreglement: het reglement bedoeld in artikel 2.4b, tweede lid, van het pensioenreglement; dd. AFUP: de in het AFUP-opbouwreglement neergelegde regeling; ee. initiële opleiding: een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie aangewezen opleiding, gericht op de voorbereiding van de uitvoering van algemene politietaken; ff. theoretisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de aspirant aan een opleidingsinstituut in het kader van de initiële opleiding onderwijs volgt; gg. praktisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de aspirant de politietaak bij een regionaal politiekorps of bij het Korps landelijke politiediensten uitvoert in het kader van de initiële opleiding. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenote of echtgenoot mede verstaan de geregistreerde partner alsmede de levenspartner met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont – en met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede begrepen de achtergebleven geregistreerde partner alsmede de achtergebleven partner. Tot gezinslid wordt in voorkomend geval mede gerekend de geregistreerde partner alsmede de levenspartner. Tegelijkertijd kan slechts een persoon als echtgenoot of echtgenote dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Het bevoegd gezag kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in de eerste volzin is gesloten.

Hoofdstuk II. Aanstelling

Artikel 2
1. De aanstelling geschiedt in tijdelijke of in vaste dienst. 2. Een aanstelling in tijdelijke dienst geschiedt voor bepaalde of voor onbepaalde tijd.

Artikel 2a
1. Indien betrokkene direct voorafgaand aan de aanstelling nog geen ambtenaar in de zin van dit besluit was, kan op zijn aanvraag en na consultatie van de ondernemingsraad in zeer bijzondere gevallen een aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd plaatsvinden waarbij dit besluit gedeeltelijk, of andere algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993, die specifiek betrekking hebben op ambtenaren in de zin van dit besluit, geheel of gedeeltelijk, buiten toepassing kunnen worden verklaard. 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het betreft het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994. 3. Onverminderd het eerste lid, bedraagt de aanspraak op vakantie ten minste 144 uur per kalenderjaar bij een volledige betrekking en naar evenredigheid bij een andere betrekkingsomvang. 4. De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, geschiedt voor een periode van ten hoogste drie jaar. 5. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het eerste lid.

Artikel 2b
1. Indien betrokkene direct voorafgaand aan de aanstelling nog geen ambtenaar in de zin van dit besluit was en hij krachtens de artikelen 25, 42, eerste lid, en 52 van de Politiewet 1993 bij koninklijk besluit wordt benoemd, kan op zijn aanvraag aanstelling plaatsvinden in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd waarbij dit besluit gedeeltelijk, of andere algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993, die specifiek betrekking hebben op ambtenaren in de zin van dit besluit, geheel of gedeeltelijk, buiten toepassing kunnen worden verklaard. Na benoeming wordt aan de ondernemingsraad gemotiveerd aangegeven dat bij het werven zowel de interne als de externe arbeidsmarkt in ogenschouw is genomen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het betreft het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994. 3. Onverminderd het eerste lid, bedraagt de aanspraak op vakantie ten minste 144 uur per kalenderjaar bij een volledige betrekking en naar evenredigheid bij een andere betrekkingsomvang. 4. De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, geschiedt voor een periode van ten hoogste zeven jaar. 5. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het eerste lid.

Artikel 3
1. De aanstelling van de aspirant geschiedt in tijdelijke dienst voor de duur van de initiële opleiding met een maximum van twee jaar. In bijzondere gevallen kan de maximale duur van de aanstelling in tijdelijke dienst op aanvraag van de aspirant of ambtshalve worden verlengd met een periode van maximaal één jaar. 2. Indien de aspirant voldoet aan de gestelde kwalificatie-eisen, wordt hij aansluitend aan de aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd van één jaar, op aanvraag van de aspirant in bijzondere gevallen te verlengen of zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht. 3. Na afloop van de proeftijd, bedoeld in het tweede lid, vindt aanstelling in vaste dienst plaats, tenzij tegen een aanstelling in vaste dienst bedenkingen bestaan. 4. In afwijking van het derde lid kan een aanstelling van een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die de initiële opleiding alsmede de daarop volgende proeftijd heeft voltooid, in tijdelijke dienst plaatsvinden: a. ter vervanging van een wegens ziekte of uit anderen hoofde afwezige ambtenaar, b. ter uitvoering van werkzaamheden van kennelijk tijdelijk karakter, of c. indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4a. 5. Zodra de omstandigheid die leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b, zich niet meer voordoet, wordt de desbetreffende ambtenaar zo mogelijk in vaste dienst aangesteld. 6. In het geval, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, wordt in ieder geval aangenomen dat de omstandigheid die leidde tot aanstelling in tijdelijke dienst zich niet meer voordoet, wanneer de ambtenaar sinds twee jaar zonder onderbreking van langer dan één maand in politiedienst, waarvan laatstelijk gedurende ten minste één jaar in zijn huidige betrekking, in dienst is. Dit geldt echter niet in die gevallen waarin vaststaat dat zijn werkzaamheden in de door hem vervulde betrekking binnen het jaar zullen worden beëindigd. 7. Bij ministeriële regeling worden criteria gegeven op grond waarvan de in het zesde lid genoemde periode van twee jaar kan worden verlengd tot vijf jaar.

Artikel 3a
Na het voltooien van de initiële opleiding wordt de aspirant aangesteld als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak.

Artikel 4
1. Een aanstelling van een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie kan in tijdelijke dienst plaatsvinden a. voor een proeftijd van één jaar, zonodig in bijzondere gevallen op aanvraag van de ambtenaar met één jaar te verlengen en zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd, gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht; b. ter vervanging van een wegens ziekte of uit anderen hoofde afwezige ambtenaar; c. ter uitvoering van werkzaamheden van kennelijk tijdelijk karakter; d. indien het een ambtenaar betreft die in dienst wordt genomen als leerling ter opleiding tot een functie binnen de politie-organisatie dan wel in verband met zijn verdere praktische opleiding of vorming, e. indien een wijziging in de taak van het betrokken dienstvak is voorgenomen, of f. indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4a. 2. Zodra de omstandigheid die leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, zich niet meer voordoet, wordt de desbetreffende ambtenaar zo mogelijk in vaste dienst aangesteld. 3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en e, wordt in ieder geval aangenomen dat de omstandigheid die leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst zich niet meer voordoet, wanneer de ambtenaar sinds twee jaar zonder onderbreking van langer dan één maand in politiedienst, waarvan laatstelijk gedurende ten minste één jaar in zijn huidige betrekking, in dienst is. Dit geldt echter niet in die gevallen waarin vaststaat dat zijn werkzaamheden in de door hem vervulde betrekking binnen het jaar zullen worden beëindigd. 4. Bij ministeriële regeling worden criteria gegeven op grond waarvan de in het derde lid genoemde periode van twee jaar kan worden verlengd tot vijf jaar.

Artikel 4a
1. De ambtenaar die in vaste dienst is aangesteld, kan, met zijn instemming, door een ander bevoegd gezag in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd worden aangesteld. Aansluitend aan deze aanstelling in tijdelijke dienst wordt de ambtenaar hernieuwd in vaste dienst aangesteld door het bevoegde gezag binnen wiens gezagsbereik hij was aangesteld onmiddellijk voorafgaand aan de aanstelling in tijdelijke dienst. De artikelen 7, 8 en 8a, tweede lid, zijn niet van toepassing op de hernieuwde aanstelling in vaste dienst. 2. Een aanstelling in tijdelijke dienst als bedoeld in het eerste lid vindt niet eerder plaats dan nadat de ambtenaar en de beide betrokken bevoegde gezagsinstanties gezamenlijk schriftelijke afspraken hebben gemaakt over die aanstelling en over de hernieuwde aanstelling in vaste dienst. 3. De in het tweede lid bedoelde afspraken betreffen in ieder geval de duur van de aanstelling in tijdelijke dienst, de aard van de werkzaamheden, de voorwaarden waaronder de duur van de aanstelling in tijdelijke dienst kan worden verkort of verlengd en de voorwaarden waaronder de hernieuwde aanstelling in vaste dienst plaatsvindt. In het kader van een persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken gemaakt over leerdoelen, de verwezenlijking van die leerdoelen en de begeleiding daarbij van de ambtenaar. 4. Een aanstelling in tijdelijke dienst als bedoeld in het eerste lid duurt ten hoogste zes jaar en kan met instemming van de ambtenaar eenmalig worden verlengd met ten hoogste twee jaar. 5. Ten minste drie maanden voordat de aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, eindigt, treden de ambtenaar en beide betrokken bevoegde gezagsinstanties met elkaar in overleg om de gemaakte afspraken over de hernieuwde aanstelling in vaste dienst te concretiseren. 6. Bij een hernieuwde aanstelling in vaste dienst als bedoeld in het eerste lid, wordt het dienstverband geacht niet te zijn onderbroken. 7. Een hernieuwde aanstelling in vaste dienst als bedoeld in het eerste lid, blijft uitsluitend achterwege indien: a. de ambtenaar uit de aanstelling in tijdelijke dienst wordt ontslagen op grond van artikel 77, eerste lid, onderdeel j, b. de ambtenaar uit de aanstelling in tijdelijke dienst wordt ontslagen op grond van de artikelen 87, 87a, 88, 88a of 88b, of c. de ambtenaar uit de aanstelling in tijdelijke dienst wordt ontslagen op grond van artikel 94, eerste lid, onderdeel e, vanwege volledige arbeidsongeschiktheid. 8. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6a, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie heeft het bevoegde gezag dat de ambtenaar hernieuwd in vaste dienst aanstelt een inspanningsverplichting om de ambtenaar een passende functie aan te bieden waaraan de hogere salarisschaal is verbonden die voor hem gold tijdens de aanstelling in tijdelijke dienst. De duur van die verplichting is gelijk aan de tijd dat de hogere salarisschaal voor de ambtenaar heeft gegolden tijdens de aanstelling in tijdelijke dienst.

Artikel 5
De bijzondere ambtenaar van politie wordt in vaste dienst aangesteld.

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2001]

Artikel 7
1. Voor de aanstelling als aspirant, ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en bijzondere ambtenaar van politie komt uitsluitend in aanmerking degene die: a. Nederlander is; b. de door Onze Minister vast te stellen minimum leeftijd heeft bereikt; c. voldoet aan bij regeling van Onze Minister te stellen eisen met betrekking tot het opleidingsniveau, de psychologische keuring en een geneeskundige keuring als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de medische keuringen; d. voldoet aan overige bij regeling van Onze Minister te stellen eisen. 2. Teneinde vast te stellen of de persoon, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de vervulling van de functie, kan het bevoegd gezag de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt, verifiëren en zo nodig aanvullen. 3. Onze Minister van Justitie kan ten aanzien van de aanstelling als bijzondere ambtenaar van politie nadere regels vaststellen over het aantal dienstjaren dat deze ambtenaar werkzaam moet zijn geweest als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. 4. De betrokkene, die op grond van het eerste lid, onderdeel c, is onderworpen aan een geneeskundige keuring, wordt bij aanstelling in een andere functie opnieuw aan een geneeskundige keuring onderworpen, indien betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde functie.

Artikel 8
1. Voor de aanstelling als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie komt in aanmerking degene die: a. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking tot het opleidingsniveau; b. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking tot een psychologische keuring, indien daaraan naar het oordeel van het bevoegd gezag behoefte bestaat; c. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking tot een geneeskundige keuring als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de medische keuringen, indien aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld.
Het bevoegd gezag stelt vast voor welke functies een onderzoek naar de medische geschiktheid noodzakelijk is;

d. voldoet aan overige door het bevoegd gezag te stellen eisen die specifiek gerelateerd zijn aan de functie binnen het politiekorps dan wel binnen het LSOP of ITO. 2. Teneinde vast te stellen of de persoon, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de vervulling van de functie, kan het bevoegd gezag de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt, verifiëren en zonodig aanvullen. 3. De betrokkene die op grond van het eerste lid, onderdeel c, is onderworpen aan een geneeskundige keuring, wordt bij aanstelling in een andere functie opnieuw aan een geneeskundige keuring onderworpen, indien betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde functie.

Artikel 8a
1. Aanstelling als ambtenaar is slechts mogelijk, indien op grond van een ten aanzien van de betrokkene ingesteld onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid geen bezwaar blijkt te bestaan tegen diens aanstelling. 2. Ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, vraagt het bevoegde gezag om verstrekking van justitiële gegevens als bedoeld in artikel 23 van het Besluit justitiële gegevens en om verstrekking van gegevens als bedoeld in artikel 14 van het Besluit politieregisters. 3. Het tweede lid is niet van toepassing indien: a het een aanstelling betreft in een functie waarin technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie worden uitgevoerd, in een functie bij het LSOP of ITO als bedoeld in artikel 8, eerste lid, of als vakantiewerker en het bevoegde gezag heeft bepaald dat voor de functie slechts een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële gegevens is vereist, of b het een functie betreft als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken. 4. Een onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid wordt ingesteld nadat het bevoegde gezag de betrokkene overigens bekwaam en geschikt acht.

Artikel 8b
1. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de aard van de functie of van de werkzaamheden hiertoe aanleiding geeft, kan ten aanzien van de ambtenaar in de volgende gevallen opnieuw een onderzoek als bedoeld in artikel 8a, eerste lid, worden uitgevoerd: a. bij wijziging van werkzaamheden; b. bij aanstelling in een andere functie; c. bij de vervulling van een functie gedurende ten minste vijf dienstjaren, of d. bij een redelijk vermoeden van ernstig plichtsverzuim dat de integriteit of de verantwoordelijkheid van de betrokkene raakt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het een functie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, of een functie waarvan het bevoegd gezag heeft bepaald dat slechts een verklaring omtrent het gedrag is vereist, betreft.

Artikel 8c
Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het in de artikelen 8a en 8b bedoelde onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid voor zover ten behoeve van dat onderzoek wordt gevraagd om verstrekking van justitiële gegevens als bedoeld in artikel 23 van het Besluit justitiële gegevens en om verstrekking van gegevens als bedoeld in artikel 14 van het Besluit politieregisters. Deze nadere regels bevatten in ieder geval waarborgen omtrent een voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.

Artikel 9
1. Voor de aanvaarding van zijn ambt legt de adspirant die aanvangt met het praktische opleidingsdeel, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of de bijzondere ambtenaar van politie de volgende eed dan wel verklaring en belofte van zuivering af:
‘Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk of onmiddellijk, onder welke vorm of voorwendsel ook, tot het verkrijgen mijner aanstelling aan niemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, of zal geven of beloven.

Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in mijn betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd, middellijk of onmiddellijk, enige beloften of geschenken zal aannemen.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik!)’ Daarna wordt door de ambtenaar de volgende eed of belofte afgelegd:

‘Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de wetten des Rijks.

Ik zweer (beloof) dat ik de krachtens de wet uitgevaardigde voorschriften en verordeningen zal nakomen en handhaven, dat ik de mij verstrekte opdrachten zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd, of waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben, en dat ik mij als een nauwgezet en ijverig politieambtenaar zal gedragen.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik)!’

2. Voor de aanvaarding van zijn ambt, legt de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie de volgende eed dan wel verklaring en belofte van zuivering af:
‘Ik zweer (verklaar) dat ik middellijk of onmiddellijk onder welke vorm of voorwendsel ook, tot het verkrijgen mijner aanstelling aan niemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, of zal geven of beloven.

Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in mijn betrekking te doen of na te laten, van niemand hoegenaamd, middellijk of onmiddellijk, enige beloften of geschenken zal aannemen.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik!)’ Daarna wordt door de ambtenaar de volgende eed of belofte afgelegd:

‘ Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de wetten des Rijks.

‘ Ik zweer (beloof) dat ik de mij verstrekte opdrachten zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd of waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben en dat ik mij als een nauwgezet en ijverig politieambtenaar zal gedragen.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik!’)

3. De korpschef van een regionaal korps of van het Korps landelijke politiediensten, legt de eden dan wel verklaringen en beloften af ten overstaan van de commissaris van de Koning respectievelijk van Onze Minister. 4. De ambtenaren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs, leggen de eden dan wel de verklaringen en beloften af ten overstaan van de voorzitter van de raad van toezicht van het LSOP. 5. De overige ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de overige ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, leggen de eden dan wel verklaringen en beloften af ten overstaan van het bevoegd gezag. 6. De bijzondere ambtenaren van politie leggen de eden dan wel verklaringen en beloften af ten overstaan van Onze Minister van Justitie.

Artikel 10
1. Aan de ambtenaar wordt, zo mogelijk voor de aanvaarding van zijn ambt, maar in ieder geval binnen een maand na aanvang van zijn werkzaamheden, een akte van aanstelling door of vanwege het bevoegd gezag uitgereikt waarin in elk geval worden vermeld: a. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de ambtenaar; b. of de aanstelling geschiedt in vaste of in tijdelijke dienst al dan niet met een proeftijd en de duur van de eventuele proeftijd, waarbij, indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, bovendien in de akte wordt vermeld of de aanstelling geschiedt voor bepaalde tijd en, zo ja, voor hoe lang – of voor onbepaalde tijd en de toepasselijke grond voor aanstelling in tijdelijke dienst. c. de functie waarin de ambtenaar wordt aangesteld; d. de plaats of de plaatsen van tewerkstelling en het werkgebied; e. de datum van ingang van de aanstelling; f. voor zover van toepassing, de rang waarin hij wordt aangesteld; g. de salarisschaal en de voor de bepaling van die schaal in acht genomen regels, alsmede het salarisnummer en het salaris die de ambtenaar zijn toegekend of, indien het een adspirant betreft, het salaris; h. de arbeidstijd die zijn betrekking omvat en i. het gegeven dat de eden dan wel de verklaringen en beloften zijn afgelegd, en de datum waarop dit is gebeurd. j. de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van de aanspraak; k. de duur van de ontslag- respectievelijk opzegtermijnen of de wijze waarop die termijnen worden vastgesteld. 2. Indien aan de ambtenaar meerdere plaatsen als plaats van tewerkstelling zijn aangewezen, wordt in de akte van aanstelling tevens een hoofdplaats van tewerkstelling vermeld. 3. Indien de ambtenaar is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie en een door het bevoegd gezag aangewezen functie vervult waaraan volgens door Onze Minister gestelde criteria het deelnemerschap in het specifiek deel van het AFUP-opbouwreglement is verbonden, wordt dit in de akte van aanstelling vermeld. 4. Voor zover deze gegevens niet reeds in de akte van aanstelling zijn vermeld, deelt het bevoegd gezag de ambtenaar zo spoedig mogelijk schriftelijk andere hem mogelijk toegekende voordelen mee, onder verwijzing naar de regeling waarop de toekenning berust en de eventuele voorwaarden die aan de toekenning verbonden zijn. 5. Indien de aanstelling afloopt voor het einde van de termijn van een maand vanaf het begin van het dienstverband, moeten de gegevens, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk bij het aflopen van de aanstelling worden verstrekt. 6. Wijziging van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wordt de ambtenaar binnen een maand schriftelijk medegedeeld, behoudens de wijziging van een algemeen verbindend voorschrift waarnaar is verwezen.

Artikel 11
1. De ambtenaar wordt bij zijn aanstelling schriftelijk door het bevoegd gezag op de hoogte gesteld van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie. 2. Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd, worden op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Hij kan kosteloos hiervan afschriften maken. 3. De schriftelijk vastgestelde en voor hem geldende regelingen en instructies, die hij bij de vervulling van zijn dienst heeft na te leven, worden eveneens op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Hij kan kosteloos hiervan afschriften maken. 4. Over wijzigingen in regelingen betreffende zijn rechtspositie wordt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte gesteld.

Hoofdstuk III. Arbeids- en rusttijden

Artikel 12
1. Het bevoegd gezag stelt de arbeids- en rusttijden vast. 2. Het bevoegd gezag kan in een regeling als bedoeld in artikel 1:4, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet afspraken maken inzake rusttijd en pauze, de arbeidstijd, arbeid op zondag en arbeid in nachtdienst. 3. De arbeidstijd bedraagt gemiddeld 36 uur per week. 4. Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te werken uren per jaar: het aantal kalenderdagen per jaar, verminderd met: a. het aantal zaterdagen en zondagen, en b. Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Tweede Pinksterdag, de beide kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, en 5 mei, dan wel een andere door het bevoegd gezag aangewezen kerkelijke, nationale, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdag, voor zover deze dagen niet vallen op een zaterdag of een zondag, vermenigvuldigd met 7,2. 5. Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking bedraagt het aantal te werken uren per jaar een evenredig deel van het aantal te werken uren volgens de systematiek van de in het vierde lid opgenomen berekeningswijze. 6. Het aantal te werken uren, bedoeld in het vierde en vijfde lid, wordt rekenkundig op hele uren afgerond. 7. Het bevoegd gezag deelt een voor de bij hem werkzame ambtenaren vastgesteld rooster uiterlijk een week voor de aanvang van de periode waarop het betrekking heeft, aan de ambtenaar mee. 8. Uiterlijk op de vierde dag, voorafgaande aan die waarop dienst moet worden gedaan, wordt een dagrooster vastgesteld en aan de ambtenaar kenbaar gemaakt, waarin is aangegeven welke de tijdstippen zijn van aanvang en einde van de dienst. Van de vastgestelde tijdstippen kan uitsluitend worden afgeweken: a. met instemming van de betrokken ambtenaar of b. indien op grond van artikel 2:5 van de Arbeidstijdenwet die wet niet van toepassing is. 9. De ambtenaar heeft in een kalenderjaar recht op tenminste 26 vrije zondagen waarvan 22 aansluitend aan een vrije dag, dan wel op tenminste 22 periodes van twee aaneengesloten vrije dagen waarbij de aaneengesloten periode een zaterdag of een zondag omvat. 10. Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen.

Artikel 12a [Vervallen per 07-11-1997]

Artikel 13
1. Voor de ambtenaar geldt een arbeidstijd van gemiddeld 38 uur per week, tenzij de ambtenaar eenmalig kiest voor de volledige betrekking van gemiddeld 36 uur per week. 2. De aspirant maakt zijn keuze bij zijn aanstelling op grond van artikel 3a. 3. Onverminderd het eerste lid is bij een aanvraag tot uitbreiding van de betrekkingsomvang artikel 2, negende lid, van de Wet aanpassing arbeidsduur van toepassing.

Artikel 13a
1. Tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, wordt op aanvraag van de ambtenaar a. van 55 jaar en ouder de gemiddelde arbeidstijd per week met 11,1% verminderd; b. van 58 jaar en ouder de gemiddelde arbeidstijd per week met 33,3% verminderd. 2. Tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, wordt op aanvraag van de ambtenaar de gemiddelde arbeidstijd per week voor een lager percentage verminderd dan genoemd in het eerste lid, met dien verstande dat het aantal uren waarmee de arbeidstijd wordt verminderd ten minste 2 uren per week bedraagt. 3. De ingevolge het eerste en tweede lid verminderde arbeidstijd wordt rekenkundig afgerond. 4. De uren waarmee de gemiddelde arbeidstijd per week wordt verminderd, worden aangemerkt als verlof. 5. Over de uren waarmee de gemiddelde arbeidstijd per week wordt verminderd, wordt 50% ingehouden van het door de ambtenaar over die uren genoten salaris. De inhouding op het salaris bedraagt 25% indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, op 15 maart 1999 ten minste de 49-jarige leeftijd heeft bereikt. 6. Bij regeling van Onze Minister worden omtrent de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van de in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaar regels vastgesteld.

Hoofdstuk III.a Tijdelijke ouderenregeling

Artikel 13b
1. Op aanvraag van de in de eerste volzin van artikel 88, eerste lid, bedoelde ambtenaar die op 15 maart 1999 ten minste de 49-jarige leeftijd heeft bereikt, verleent het bevoegd gezag non-activiteit, tenzij hier ernstige bezwaren voor de bedrijfsvoering uit voortvloeien. 2. De periode van non-activiteit bedraagt ten hoogste 21 maanden op basis van het volgende overzicht: leeftijd: periode: 55 jaar 1 maand 56 jaar 2 maanden 57 jaar 4 maanden 58 jaar 6 maanden 59 jaar 8 maanden
3. De non-activiteit wordt verleend in een aaneengesloten periode direct voorafgaande aan het ontslag op grond van artikel 88, eerste lid, dan wel direct voorafgaande aan het ontslag voor het bereiken van de 60-jarige leeftijd, op grond van artikel 87a, tweede lid, en eindigt op de datum dat het ontslag ingaat, dan wel op de dag van overlijden. 4. De ambtenaar aan wie non-activiteit is verleend, kan tot de datum waarop de non-activiteit zou ingaan hiervan geheel of gedeeltelijk afzien, tenzij hier ernstige bezwaren voor de bedrijfsvoering uit voortvloeien. De ambtenaar kan geen vergoeding worden toegekend voor de niet genoten periode van non-activiteit. 5. Indien de ambtenaar voorafgaand aan de periode van non-activiteit ongeschikt wordt tot het verrichten van zijn arbeid wegens beroepsziekte dan wel ziekte als gevolg van een dienstongeval, dan wordt de periode van non-activiteit opgeschort tot de datum waarop de ambtenaar weer in staat is arbeid te verrichten. 6. Onverminderd het negende lid, kan de periode van non-activiteit direct worden voorafgegaan door een aaneengesloten periode waarin vakantie of verlof wordt genoten. 7. Tijdens de periode van non-activiteit kan de ambtenaar geen aanvraag doen tot vermindering van de arbeidstijd conform artikel 13a, dan wel komt de ingevolge artikel 13a verminderde arbeidstijd te vervallen. 8. Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing gedurende de vakantie of het verlof, bedoeld in het zesde lid. 9. Tijdens de periode van non-activiteit is artikel 19, vierde lid, niet van toepassing. De aanspraak op vakantie die wordt opgebouwd gedurende de periode van non-activiteit, wordt genoten in een aaneengesloten periode direct voorafgaand aan de periode van non-activiteit. 10. Het bevoegd gezag kan de in artikel 26, eerste lid, bedoelde vergoeding toekennen op het moment dat de periode van non-activiteit ingaat dan wel op het moment dat het verlof of de vakantie, bedoeld in het zesde lid, ingaat. 11. Het tiende lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het moment van toekennen van de gratificatie, bedoeld in artikel 75, vierde lid.

Artikel 13c
1. De aanvraag, bedoeld in artikel 13b, eerste lid, dient uiterlijk een dag voor het bereiken van de 56-jarige leeftijd te worden ingediend bij het bevoegd gezag. In geval van ziekte kan het bevoegd gezag toestaan dat de aanvraag wordt ingediend na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip. 2. De ambtenaar die in aanmerking komt voor een periode van non-activiteit, bedoeld in artikel 13b, eerste lid, maakt gedurende het 56-ste levensjaar afspraken met het bevoegd gezag. De afspraken worden schriftelijk vastgelegd. 3. De afspraken, bedoeld in het tweede lid, bevatten in ieder geval de wensen van het bevoegd gezag en de ambtenaar ten aanzien van de datum waarop de periode van non-activiteit zal ingaan, dan wel een afspraak over het tijdstip waarop definitief moet worden vastgelegd vanaf welke datum de periode van non-activiteit zal ingaan. 4. Indien het bevoegd gezag voornemens is de aanvraag niet of niet volledig in te willigen, vraagt het bevoegd gezag binnen vier weken advies van een door Onze Minister in te stellen commissie. 5. De commissie, bedoeld in het vierde lid, wordt paritair samengesteld en brengt binnen zes weken na ontvangst van de adviesaanvraag een schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag en aan de betrokken ambtenaar.

Hoofdstuk IV. Vakantie

Artikel 14
1. Het LSOP roostert voor de aspirant gedurende de initiële opleiding 165,6 vakantie-uren per kalenderjaar in. Per kalenderjaar worden ten minste twee kalenderweken aaneengesloten ingeroosterd. 2. Indien het bevoegd gezag ingeroosterde vakantie-uren intrekt en deze uren niet op een ander tijdstip in dat kalenderjaar kunnen worden genoten, wordt de aspirant voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft genoten een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur. Door andere omstandigheden niet genoten vakantie-uren vervallen aan het einde van het desbetreffende kalenderjaar. 3. Na afloop van het laatste opleidingsjaar zullen de niet ingeroosterde vakantie-uren die nog resteren in dat kalenderjaar bij voortzetting van de aanstelling in het desbetreffende kalenderjaar kunnen worden opgenomen. 4. De aspirant die in deeltijd is aangesteld, heeft recht op een evenredig aantal vakantie-uren.

Artikel 15
1. Aan de ambtenaar wordt, al dan niet op zijn aanvraag, in elk kalenderjaar vakantie met behoud van bezoldiging verleend met inachtneming van de regels, gesteld in dit hoofdstuk. 2. Deze vakantie wordt verleend door het bevoegd gezag.

Artikel 16 [Vervallen per 22-12-2001]

Artikel 17
1. De aanspraak op vakantie bedraagt 165,6 uren per kalenderjaar. 2. Indien de ambtenaar in een kalenderjaar geen arbeidsverzuim heeft gehad wegens ziekte, met uitzondering van arbeidsverzuim in verband met een dienstongeval of zwangerschap, wordt in het daaropvolgende kalenderjaar, de in het eerste lid bedoelde aanspraak vermeerderd met 7,2 uur. 3. Indien de ambtenaar zich in een kalenderjaar wegens ziekte, anders dan door een dienstongeval of zwangerschap meer dan vijf maal ziek meldt, wordt de in het eerste lid bedoelde aanspraak verminderd met 7,2 uur, tenzij het bevoegd gezag bijzondere omstandigheden aanwezig acht.

Artikel 18
1. De volgens artikel 17 vastgestelde aanspraak op vakantie wordt, afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verhoogd overeenkomstig de hierna volgende tabel: leeftijd verhoging 18 jaar en jonger 21,6 uren 19 jaar 14,4 uren 20 jaar 7,2 uren van 45 tot en met 49 jaar 7,2 uren van 50 tot en met 54 jaar 14,4 uren van 55 tot en met 59 jaar 21,6 uren 60 jaar en ouder 28,8 uren
2. De ambtenaar wiens arbeidstijd met toepassing van artikel 13a is verminderd, heeft aanspraak op een verhoging als bedoeld in het eerste lid, naar de mate waarin zijn arbeidstijd met een lager percentage is verminderd dan het bij zijn leeftijd behorende percentage, genoemd in artikel 13a, eerste lid. 3. De ingevolge het tweede lid tot stand gekomen verhoging wordt rekenkundig afgerond op tienden van uren.

Artikel 19
1. Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt de ingevolge de artikelen 17 en 18 geldende aanspraak op vakantie vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een volledige betrekking. 2. Indien de diensttijd van de ambtenaar in de loop van een kalenderjaar wordt gewijzigd, wordt de aanspraak op vakantie over het resterend gedeelte van het jaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe diensttijd. De tot aan de datum van ingang van de wijziging van de diensttijd verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd. 3. Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie als bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, en 18 vastgesteld naar evenredigheid van de dienst, die de ambtenaar in dat jaar verricht heeft of zal verrichten. 4. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in het geheel geen dienst verricht, met uitzondering van de eerste kalendermaand, heeft hij geen aanspraak op vakantie. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij slechts aanspraak op vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van het aantal uren waarop hij feitelijk dienst verricht. 5. Het vierde lid is niet van toepassing indien: a. geheel of gedeeltelijk geen dienst wordt verricht wegens: 1°. teveel gewerkte uren; 2°. verleende vakantie; 3°. niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar te wijten ziekte, gedurende de periode van de eerste 26 weken waarin geen dienst wordt verricht, dan wel 52 weken in geval van ziekte als gevolg van een dienstongeval, waarbij een hervatting van de dienstverrichting gedurende dertig kalenderdagen of minder geen nieuwe periode van 26 respectievelijk 52 weken inluidt; 4°. ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 41; 5°. zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 55; 6°. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen; 7°. verlof van korte duur verleend op basis van de artikelen 31, 33, 35, 36 of 37; 8°. adoptieverlof als bedoeld in artikel 41a; 9°. partieel uittreden als bedoeld in artikel 13a; 10°. minder werken als bedoeld in artikel 28b; b. het bevoegd gezag daartoe aanleiding aanwezig acht.

Artikel 20
De ambtenaar heeft geen aanspraak op vakantie voor de tijd gedurende welke hij:

a. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop zijn gericht om hem in staat te stellen passende arbeid te verrichten; of b. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Artikel 21 [Vervallen per 06-06-1997]

Artikel 22
1. Over de tijdstippen waarop de vakantie zal ingaan, alsmede over de tijdvakken waarin deze eventueel zal worden gesplitst, beslist het bevoegd gezag in goed overleg met de ambtenaar. 2. De ambtenaar met een volledige betrekking dient in elk kalenderjaar ten minste 108 uur vakantie op te nemen waarvan ten minste 72 uur over een aaneengesloten periode. Voor een ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt het aantal in de eerste volzin genoemde uren vastgesteld op een evenredig deel van het aantal uren bij een volledige betrekking.

Artikel 23
1. Indien de ambtenaar in een kalenderjaar de aanspraak op vakantie niet geheel heeft genoten, wordt de niet genoten vakantie naar het volgende kalenderjaar overgeboekt tot een maximum van de aanspraak van de ambtenaar over een vol kalenderjaar berekend volgens de artikelen 17 tot en met 19, verminderd met het minimaal op te nemen aantal uren vakantie, genoemd in artikel 22, tweede lid. 2. In individuele gevallen kan het bevoegd gezag toestaan dat in een bepaald jaar wordt afgeweken van de overeenkomstig het eerste lid maximaal naar een volgend kalenderjaar over te boeken vakantie-aanspraken. 3. Indien het bevoegd gezag ingeroosterde vakantie-uren intrekt dan wel de ambtenaar de overeenkomstig artikel 22, tweede lid, minimaal op te nemen vakantie niet of niet geheel kan verlenen vanwege ernstige bezwaren voor de bedrijfsvoering, is het eerste lid niet van toepassing.

Artikel 24
1. Indien de ambtenaar in een kalenderjaar meer vakantie heeft genoten dan hem ingevolge dit hoofdstuk toekomt, wordt dit meerdere verrekend met de hem over een of meer volgende kalenderjaren toekomende vakantie. 2. Het eerste lid geldt met dien verstande dat uit dien hoofde in een kalenderjaar de vakantie niet met meer dan een derde gedeelte van hetgeen de ambtenaar ingevolge de artikelen 17 tot en met 19 toekomt, mag worden verminderd.

Artikel 25
1. Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang dat noodzakelijk maken.
In dat geval komt een dag, waarop de ambtenaar dientengevolge slechts gedeeltelijk vakantie heeft genoten, niet in aanmerking bij het berekenen van het aantal genoten vakantie-uren.

2. Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed.

Artikel 26
1. Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft opgenomen een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot. 2. Indien op de dag van zijn ontslag blijkt dat de ambtenaar teveel vakantie heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie een bedrag schuldig ten bedrage van het salaris per uur.

Artikel 27 [Vervallen per 06-06-1997]

Artikel 28
Het bevoegd gezag kan nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk vaststellen.

Hoofdstuk IV.A Individuele keuzemogelijkheden in arbeidsvoorwaarden

Artikel 28a
1. De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om gedurende het eerstvolgende kalenderjaar meer uren te werken dan het aantal uren dat op grond van artikel 12, vierde en vijfde lid, voor hem is vastgesteld. 2. Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal uren dat meer gewerkt kan worden ten hoogste 200 uren per kalenderjaar. Voor een ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt dit maximum vastgesteld op een evenredig deel van het maximaal aantal uren bij een volledige betrekking, waarbij het aantal te werken uren op jaarbasis gemiddeld per week niet meer mag bedragen dan 40 uur. 3. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt door het bevoegd gezag toegewezen tenzij hiertegen ernstige bezwaren bestaan. Artikel 2, negende lid, van de Wet aanpassing arbeidsduur is van toepassing. 4. Per meer te werken uur ontvangt de ambtenaar maandelijks een vergoeding ter grootte van zijn salaris per uur.

Artikel 28b
1. De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om gedurende het eerstvolgende kalenderjaar minder uren te werken dan het aantal uren dat op grond van artikel 12, vierde en vijfde lid, voor hem is vastgesteld. 2. Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal uren dat minder kan worden gewerkt ten hoogste 80 uren per kalenderjaar. Voor een ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt dit maximum vastgesteld op een evenredig deel van het maximaal aantal uren bij een volledige betrekking. 3. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt door het bevoegd gezag toegewezen tenzij hiertegen ernstige bezwaren bestaan. Artikel 2, achtste lid, van de Wet aanpassing arbeidsduur is van toepassing. 4. Per minder te werken uur wordt maandelijks een inhouding op het salaris van de ambtenaar toegepast ter grootte van zijn salaris per uur.

Artikel 28c
1. Artikel 28a is niet van toepassing op de ambtenaar: a. van wie de gemiddelde wekelijkse werktijd met toepassing van artikel 13a is verminderd; b. die op grond van artikel 13b non-activiteit geniet dan wel direct voorafgaande aan de non-activiteit verlof geniet; c. die betaald ouderschapsverlof geniet als bedoeld in artikel 41; d. die buitengewoon verlof van lange duur geniet als bedoeld in de artikelen 42, 43, 46 en 47, of e. die gedeeltelijk ontslag is verleend als bedoeld in artikel 87a. 2. Artikel 28b is niet van toepassing op de ambtenaar: a. die op grond van artikel 13b non-activiteit geniet dan wel direct voorafgaande aan de non-activiteit verlof geniet, of b. die buitengewoon verlof van lange duur geniet als bedoeld in de artikelen 42, 43, 46 en 47.

Artikel 28d
1. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks vast voor welke datum een aanvraag als bedoeld in de artikelen 28a en 28b, moet worden ingediend. 2. Het bevoegd gezag beslist op alle aanvragen die zijn ingediend voor de datum, bedoeld in het eerste lid, binnen drie maanden na die datum, doch uiterlijk een maand voor het kalenderjaar waarop de aanvraag ziet.

Artikel 28e
1. Indien het bevoegd gezag een fiscale regeling heeft getroffen, kan op aanvraag van de ambtenaar ten behoeve van deze fiscale regeling geheel of gedeeltelijk worden afgezien van a. ten hoogste het recht op 21,6 uren vakantie per kalenderjaar bij een volledige betrekking, dan wel, indien de ambtenaar een andere betrekking dan een volledige betrekking heeft, een evenredig deel hiervan, b. een vergoeding als bedoeld in artikel 28a, vierde lid, c. een toelage als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie, d. een uitkering als bedoeld in artikel 25a van het Besluit bezoldiging politie, mits met toepassing van het tweede lid van dat artikel door Onze Minister is bepaald dat de uitkering niet behoort tot de bezoldiging of tot het inkomen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, of e. een uitkering als bedoeld in artikel 26 van het Besluit bezoldiging politie tenzij er sprake is van ernstige bezwaren voor de bedrijfsvoering. 2. Indien de ambtenaar afziet van de in het eerste lid genoemde aanspraken, wordt de waarde van die aanspraken vastgesteld op de waarde op de dag waarop de ambtenaar aan de fiscale regeling gaat deelnemen.

Artikel 28f
Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk V. Verlof

Artikel 29
Onverminderd hoofdstuk VII van dit besluit en hoofdstuk 9 van het Besluit bezoldiging politie geniet verlof:

a. de ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is; b. de ambtenaar die zich bevindt in één der omstandigheden, bedoeld in artikel 37 van het Besluit bezoldiging politie of c. de ambtenaar die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is dienst te verrichten.

Artikel 30 [Vervallen per 01-10-1998]

Artikel 31 [Vervallen per 01-10-1998]

Hoofdstuk VI. Buitengewoon verlof

§ 1. Algemene bepaling

Artikel 32
1. Aan de ambtenaar wordt in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in de volgende artikelen van dit hoofdstuk, buitengewoon verlof verleend. 2. Buitengewoon verlof wordt verleend door het bevoegd gezag.

§ 2. Buitengewoon verlof van korte duur

Artikel 33
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van de dienst niet mogelijk is, buitengewoon verlof verleend:

a. voor de uitoefening van het kiesrecht of b. voor het voldoen aan een wettelijke verplichting.

Artikel 34
1. Indien de ambtenaar een vaste vergoeding ontvangt uit de functie waarvoor hem het in artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet bedoelde verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding toegepast over de tijd dat hij verlof geniet. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vaste vergoeding voor de met verlof overeenkomende tijd in de bedoelde functie niet te boven. 2. Onze Minister kan nadere regels ter uitvoering van het eerste lid vaststellen.

Artikel 35
1. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt jaarlijks ten hoogste 120 uren buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van verenigingen van ambtenaren, van centrale organisaties waarbij deze verenigingen zijn aangesloten, of van internationale ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar hieraan deelneemt: a. voor zover het betreft vergaderingen van verenigingen van ambtenaren als bestuurslid van die vereniging dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een onderdeel daarvan; b. voor zover het betreft vergaderingen van centrale organisaties waarbij verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten, als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren; c. voor zover het betreft vergaderingen van een internationale ambtenarenorganisatie, als bestuurslid van deze organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren. 2. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt tot ten hoogste 208 uren per jaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar die door een bond, vereniging of centrale als bedoeld in artikel 2, tweede lid, 12, tweede en zesde lid, dan wel door een bond, vereniging of centrale waarmee ingevolge artikel 22, 22a of 22b overleg wordt gepleegd, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn bond, vereniging of centrale dan wel binnen de organisatie van de werkgever, die ertoe strekken de doelstellingen van zijn bond, vereniging of centrale te ondersteunen. 3. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het deelnemen aan een cursus op uitnodiging van een organisatie van ambtenaren als bedoeld in het tweede lid, met dien verstande dat dit verlof ten hoogste 48 uren per twee jaar bedraagt. 4. Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid, alsmede op grond van artikel 18, eerste en tweede lid, van de Wet op de ondernemingsraden aan een ambtenaar mag worden verleend, bedraagt tezamen ten hoogste 240 uren per jaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 uren worden verleend aan leden van hoofdbesturen van de in het tweede lid bedoelde organisaties. 5. Het verlof, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt slechts verleend aan ambtenaren die lid zijn van de in het tweede lid bedoelde organisaties. 6. Tenzij zwaarwegende belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van de commissies, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 12, eerste lid, 21, eerste lid, 22, eerste lid, 22a, eerste lid en 22b, eerste lid, alsmede voor vergaderingen van de werkgroepen, bedoeld in artikel 18 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994. Dit geldt eveneens voor één voorvergadering per in de eerste volzin bedoelde vergadering. 7. Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt de ingevolge dit artikel geldende aanspraak op verlof vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een volledige betrekking. 8. Dit artikel is van toepassing voor zover artikel 35a geen toepassing heeft gevonden.

Artikel 35a
Het bevoegd gezag kan, in overeenstemming met een of meer hoofdbesturen van de verenigingen van ambtenaren die zijn toegelaten tot het overleg met de commissie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, 21, eerste lid, 22, eerste lid, 22a, eerste lid, en 22b, eerste lid, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, regels stellen inzake het toekennen van buitengewoon verlof voor vakbondsfaciliteiten.

Artikel 36
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:

a. voor het zoeken van een woning, indien het dienstbelang verhuizing vordert: ten hoogste twee dienstdagen; b. voor verhuizing uit hoofde van dienstbelang: ten hoogste twee dienstdagen, zonodig, indien de ambtenaar een eigen huishouding heeft, te verlengen tot drie dienstdagen en in zeer bijzondere gevallen tot vier dienstdagen.

Artikel 37
1. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend: a. bij zijn huwelijk: 3 dienstdagen; b. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en tweede graad: 1 dienstdag; c. bij overlijden van 1. zijn echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen: vier dienstdagen; 2. bloed- of aanverwanten in de tweede graad: twee dienstdagen; d. bij bevalling van zijn echtgenote: ten hoogste vijf dienstdagen; e. bij zijn 25- of 40-jarig ambtsjubileum: één dienstdag. 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huwelijk mede verstaan het aangaan van een geregistreerd partnerschap alsmede het sluiten van een samenlevings-contract als bedoeld in artikel 1, tweede lid. 3. Buitengewoon verlof dat aan de ambtenaar op grond van het eerste lid wordt verleend in verband met aanverwantschap die door zijn huwelijk is ontstaan met bloedverwanten van zijn echtgenote wordt op dezelfde wijze verleend aan de ambtenaar met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn geregistreerde partner alsmede aan de ambtenaar, die ongehuwd samenwoont als bedoeld in artikel 1, tweede lid, met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn levenspartner.

Artikel 38
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:

a. voor het afleggen van een examen voor het behalen van een diploma dat voor de uitoefening van zijn functie van belang kan worden geacht of b. voor het zitting nemen in examencommissies op politiegebied voor ten hoogste tien dienstdagen per kalenderjaar.

Artikel 39
1. Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van bezoldiging, kan bovendien worden verleend, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat daartoe aanleiding bestaat. 2. Onze Minister kan nadere regels stellen in welke gevallen het eerste lid kan worden toegepast.

Artikel 40
Het bevoegd gezag kan nadere procedurele regels stellen omtrent het aanvragen en verlenen van buitengewoon verlof van korte duur.

Artikel 40a
1. De ambtenaar heeft aanspraak op buitengewoon verlof met behoud van zijn volledige bezoldiging voor de opvang bij calamiteiten in zijn persoonlijke levenssfeer. 2. Onder calamiteit wordt verstaan: a. ziekte of andere onverwachte gebeurtenissen waardoor een noodsituatie ontstaat in de verzorging van een of meer van de in het vierde lid bedoelde personen; b. een onverwachte gebeurtenis waardoor het noodzakelijk is dat de ambtenaar zelf onverwijld maatregelen moet treffen ter voorkoming of beperking van schade of onheil. 3. Het verlof is bedoeld voor de eerste opvang en het treffen van noodzakelijke voorzieningen en bedraagt ten hoogste 1 dienstdag per calamiteit voor ten hoogste 3 calamiteiten per jaar. 4. De personen voor wie verzorging kan worden verleend als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zijn: de echtgenote of echtgenoot, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen van de ambtenaar. 5. De ambtenaar informeert het bevoegd gezag vooraf over het opnemen van het verlof onder vermelding van de reden. 6. Het bevoegd gezag kan verlangen dat de ambtenaar achteraf aannemelijk maakt dat daadwerkelijk sprake was van een calamiteit. Indien de ambtenaar daar redelijkerwijs niet in slaagt, kunnen de opgenomen uren in mindering worden gebracht op het vakantieverlof. 7. Voor de toepassing van dit artikel is artikel 37, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 40b
1.
Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van volledige bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van:

a.
de echtgenote of echtgenoot;

b.
een inwonend kind tot wie de ambtenaar als ouder in een familierechtelijke betrekking staat;

c.
een inwonend kind van de echtgenote of echtgenoot;

d.
een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als de ambtenaar en door hem duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg.

2.
Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van volledige bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met ernstige ziekte van:

a.
ouders;

b.
stiefouders;

c.
pleegouders;

d.
schoonouders;

e.
een niet-inwonend kind tot wie de ambtenaar in een familierechtelijke betrekking staat;

f.
een niet-inwonend kind van de echtgenote of echtgenoot.

3.
Het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt per kalenderjaar ten hoogste tweemaal de arbeidsduur per week.

4.
De ambtenaar meldt vooraf onder opgave van de reden aan het bevoegd gezag dat hij het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, opneemt. Indien deze melding voorafgaand aan het verlof niet mogelijk is, geschiedt dit zo spoedig mogelijk. Bij de melding geeft de ambtenaar ook de omvang, de wijze van opnemen en de vermoedelijke duur van het verlof aan.

5.
Het bevoegd gezag kan achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met de noodzakelijke verzorging, bedoeld in het eerste en tweede lid. Indien de ambtenaar daar redelijkerwijs niet in slaagt, kunnen de opgenomen uren in mindering worden gebracht op het vakantieverlof.

6.
Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend, gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop, een inhouding op de bezoldiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, toegepast die overeenkomt met het bedrag van deze financiële tegemoetkoming.

7.
Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het zesde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, kan het bevoegde gezag het zesde lid op overeenkomstige wijze toepassen, mits de ambtenaar schriftelijk is gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een aanvraag. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.

8.
Voor de toepassing van dit artikel is artikel 37, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 41
1. De ambtenaar die als ouder in een familierechtelijke betrekking staat tot een kind, heeft aanspraak op ouderschapsverlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in een familierechtelijke betrekking komt te staan, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op ouderschapsverlof. 2. De ambtenaar die blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en de opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, heeft aanspraak op ouderschapsverlof. Indien het op hetzelfde tijdstip meer dan één kind betreft, bestaat aanspraak op ouderschapsverlof als betrof het één kind. Indien de ambtenaar met het oog op adoptie met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op ouderschapsverlof. 3. Geen aanspraak op ouderschapsverlof bestaat na de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt. 4. Het verlof wordt uitsluitend verleend aan de ambtenaar wiens dienstbetrekking ten minste een jaar heeft geduurd. 5. Het aantal uren verlof waarop de ambtenaar ten hoogste aanspraak heeft, bedraagt een kwart van het aantal door de ambtenaar te werken uren in het kalenderjaar waarin het verlof aanvangt uitgaande van zijn arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof aanvangt. 6. Het verlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden en gelijkmatig over deze periode verdeeld. De ambtenaar kan het bevoegd gezag verzoeken in afwijking van de eerste volzin het verlof op een andere wijze aaneengesloten te genieten of het verlof op te delen in ten hoogste drie niet aaneengesloten perioden, waarbij iedere periode ten minste één maand bedraagt. Het bevoegd gezag stemt in met het verzoek tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten. 7. Over de uren waarop de ambtenaar verlof is verleend, behoudt hij 75% van zijn bezoldiging. 8. De ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van de bezoldiging over de genoten verlofuren wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van het verlof ontslag wordt verleend op aanvraag dan wel niet op aanvraag op grond van aan de ambtenaar te wijten feiten of omstandigheden. Ontslag op aanvraag gevolgd door een overgang binnen vier weken binnen de politiedienst wordt niet als ontslag beschouwd. 9. Het bevoegd gezag is verplicht in te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten. Het bevoegd gezag behoeft aan de aanvraag niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na de aanvraag. In het geval het verlof met toepassing van de eerste volzin, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt de aanspraak op het overige deel van dat verlof. 10. Het bevoegd gezag kan, na overleg met de ambtenaar, de spreiding van de verlofuren over de week op grond van gewichtige redenen van dienstbelang wijzigen tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof. 11. Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen over de wijze waarop ouderschapsverlof wordt aangevraagd.

Artikel 41a
1. De ambtenaar heeft in verband met de adoptie van een kind aanspraak op verlof met behoud van bezoldiging. 2. De aanspraak op verlof in verband met adoptie bedraagt ten hoogste drie aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende een tijdvak van zestien weken vanaf de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar aan het bevoegd gezag overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen. 3. Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat de aanspraak op verlof slechts ten aanzien van één van die kinderen. 4. De ambtenaar meldt aan het bevoegd gezag het verlof in verband met adoptie uiterlijk drie weken voor de dag van ingang van het verlof onder opgave van de omvang van het verlof. Bij de melding worden documenten gevoegd waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen. 5. Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend, gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de bezoldiging, bedoeld in het eerste lid, toegepast die overeenkomt met het bedrag van deze financiële tegemoetkoming. 6. Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, kan het bevoegde gezag het vijfde lid op overeenkomstige wijze toepassen, mits de ambtenaar schriftelijk is gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een aanvraag. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.

§ 3. Buitengewoon verlof van lange duur

Artikel 42
De ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is, is met buitengewoon verlof van lange duur.

Artikel 43
1. Aan de ambtenaar kan op zijn aanvraag buitengewoon verlof worden verleend, al dan niet met behoud van bezoldiging en al dan niet onder bepaalde voorwaarden. 2. Het verlof, bedoeld in het eerste lid, gaat niet in dan na aanvaarding van dat verlof met de daaraan verbonden voorwaarden door de ambtenaar.

Artikel 44
Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, uitsluitend strekt tot het persoonlijk belang van de ambtenaar, kan hem dit slechts worden verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste zes maanden.

Artikel 45
Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, ten doel heeft de ambtenaar in de gelegenheid te stellen een andere functie te vervullen en met verlofverlening naar het oordeel van het bevoegd gezag niet uitsluitend het persoonlijk belang van de ambtenaar, maar ook het algemeen belang wordt gediend, kan het verlof in beginsel voor ten hoogste een jaar, zonder behoud van bezoldiging, worden verleend.

Artikel 46
1. Aan de ambtenaar, benoemd tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren, van een centrale of van een internationale organisatie van zodanige verenigingen, kan uit dien hoofde voor ten hoogste twee jaren buitengewoon verlof, zonder behoud van bezoldiging, worden verleend. 2. Artikel 35, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 47
1. Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, ten doel heeft de ambtenaar in de gelegenheid te stellen anders dan in vaste dienst hetzij een functie in dienst van een volkenrechtelijke organisatie te vervullen hetzij ten behoeve van de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel als deskundige tijdelijk ten behoeve van een vreemde mogendheid werkzaam te zijn en met verlofverlening naar het oordeel van Onze Minister het algemeen belang in overwegende mate wordt gediend, kan het verlof voor een door het bevoegd gezag te bepalen periode, al dan niet met behoud van bezoldiging, worden verleend. 2. In afwijking van het eerste lid kan aan de ambtenaar, die wenst te worden uitgezonden om in de burgerlijke landsdienst van de Nederlandse Antillen of Aruba tijdelijk een betrekking te vervullen, buitengewoon verlof worden verleend op basis van het West-Indisch Detacheeringsbesluit 1930.

Artikel 48
1. De ambtenaar die na afloop van een hem verleend buitengewoon verlof van lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn dienst niet hervat, wordt gelijk behandeld als de ambtenaar die een aanvraag tot ontslag heeft ingediend. 2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar binnen een redelijke termijn ten genoege van het bevoegd gezag aannemelijk maakt dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten in welk geval het verlof wordt verlengd tot het tijdstip waarop de bedoelde geldige redenen hebben opgehouden te bestaan.

Hoofdstuk VII. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen en enkele overige bepalingen in verband met ziekte en zwangerschap

§ 1. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen

Artikel 49
De ambtenaar is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden.

Artikel 49a
1. Het bevoegd gezag verricht zijn taak met betrekking tot begeleiding van verzuim en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en de bepalingen in dit hoofdstuk. 2. Onze Minister kan regels vaststellen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van verzuim, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.

Artikel 49b
1. Het bevoegd gezag is verplicht tijdig de maatregelen te treffen en voorschriften te geven die redelijkerwijs nodig zijn om de ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is zijn arbeid te verrichten in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid te verrichten. 2. Uit hoofde van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, stelt het bevoegd gezag in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld. 3. Indien vaststaat dat de ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is zijn arbeid te verrichten en binnen het gezagsbereik van het bevoegd gezag geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert dat gezag de inschakeling van de ambtenaar in voor hem passende arbeid in een of meer functies bij een andere werkgever. 4. De ambtenaar mag de eigen of andere passende arbeid eerst verrichten nadat de deskundige persoon of de arbodienst een op de desbetreffende ambtenaar betrekking hebbend medisch advies heeft gegeven.

Artikel 49c
De ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, is verplicht:

a. gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 49b, eerste lid; b. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 49b, tweede lid; c. passende arbeid te verrichten waartoe het bevoegd gezag hem in de gelegenheid stelt.

Artikel 50
1. De ambtenaar kan worden verplicht om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan: a. indien het bevoegd gezag gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de goede gezondheidstoestand van de ambtenaar; b. indien de ambtenaar niet meer volledig geschikt is gebleken voor het verrichten van zijn arbeid; c. ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het tijdvak waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in het belang van zijn genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen welke arbeid wenselijk wordt geacht; d. voor zover dit noodzakelijk is ter voorbereiding van een beslissing naar aanleiding van de aanvraag om een hernieuwd onderzoek als bedoeld in artikel 51; e. indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken, een aangifteplicht geldt; f. om te beoordelen of de ambtenaar die de functie heeft van vlieger bij het Korps landelijke politiediensten lichamelijk en psychisch in staat is de functie van vlieger te blijven uitoefenen, nadat hij de voor zijn functie vastgestelde leeftijdsgrens heeft bereikt; g. als, gelet op artikel 88c, de deskundige persoon of de arbodienst van oordeel is dat dit noodzakelijk is; h. om te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 94, derde lid; i. om te beoordelen of de ambtenaar die wegens ziekte volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten, zijn arbeid mag hervatten; j. voor zover dit voortvloeit uit enige wettelijke verplichting; k. indien hij in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, of hij is benoemd in een functie waarvoor bij aanstelling een geneeskundige keuring is vereist als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c. 2. Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar buiten dienst indien na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 dan wel een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid, wanneer blijkt dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat de belangen van de ambtenaar, van de dienst of van bij het verrichten van de arbeid betrokken derden zich er tegen verzetten dat de ambtenaar zijn arbeid blijft verrichten. De ambtenaar wordt niet buiten dienst gesteld, indien hem andere passende arbeid kan worden opgedragen. Indien de ambtenaar buiten dienst wordt gesteld, wordt hij aangemerkt als ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, in welk geval hoofdstuk 10 van het Besluit bezoldiging politie van toepassing is.

Artikel 51
1. Het advies dat door de deskundige persoon of de arbodienst wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 50 van dit besluit, wordt zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar en het bevoegd gezag bekendgemaakt. 2. De ambtenaar kan de deskundige persoon of de arbodienst binnen drie dagen na ontvangst van het medisch advies, schriftelijk een hernieuwd onderzoek vragen indien hij bedenkingen heeft tegen het medisch advies. Gedurende de behandeling van zijn bedenkingen, behoeft de ambtenaar aan het medisch advies geen gevolg te geven. De deskundige persoon of de arbodienst stelt het bevoegd gezag in kennis van een ingediend verzoek om een hernieuwd onderzoek. 3. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het verzoek om een hernieuwd onderzoek, doch uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek door een commissie van drie artsen plaats. 4. Op verzoek van de ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk zijn mening aan de commissie van drie artsen kenbaar te maken. 5. De kosten van het hernieuwde onderzoek komen voor rekening van het bevoegd gezag. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.

Artikel 52
1. De leden van de commissie bedoeld in artikel 51, derde en vierde lid, worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen door het bevoegd gezag. De arts die het medisch advies heeft uitgebracht waarvan herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting. 2. De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan: a. de ambtenaar, b. het bevoegd gezag, en c. de behandelend arts, bedoeld in artikel 51, vierde lid.

§ 2. Overige bepalingen

Artikel 53
In bijzondere gevallen kan aan de ambtenaar een tegemoetkoming worden verleend in noodzakelijk gemaakte kosten die verband houden met ziekte die de ambtenaar voor zichzelf en zijn medebelanghebbenden heeft gemaakt, indien hierin niet ingevolge een andere regeling wordt voorzien en deze kosten redelijkerwijze niet te zijnen laste kunnen blijven. Het bevoegd gezag kan over de uitvoering van dit artikel regels vaststellen.

Artikel 54
1. In geval van dienstongeval of beroepsziekte worden aan de desbetreffende ambtenaar vergoed de noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging. 2. Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere voorschriften vaststellen met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 54a
1. In geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte, wordt aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een netto maximum bedrag van € 136 100,-. 2. In geval de ambtenaar is komen te overlijden ten gevolge van een dienstongeval, wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde een netto bedrag van € 68 100,- uitgekeerd. 3. Artikel 46, derde en vierde lid, van het Besluit bezoldiging politie is van overeenkomstige toepassing. 4. Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de toekenning van de uitkering, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 55
1. De vrouwelijke ambtenaar heeft in verband met haar bevalling aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof. 2. De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op zwangerschapsverlof vanaf de dag waarop de bevalling blijkens een verklaring van een arts of van een verloskundige waarin de vermoedelijke datum van de bevalling wordt aangegeven, binnen zes weken is te verwachten. Het verlof begint in ieder geval vier weken vóór deze datum. 3. De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op bevallingsverlof van tien weken vanaf de dag volgend op die van de bevalling. Dit verlof wordt verlengd tot ten hoogste zestien weken, voor zover het zwangerschapsverlof om andere redenen dan wegens ziekte minder dan zes weken heeft bedragen. 4. Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt gelijkgesteld met verhindering wegens ziekte.

Hoofdstuk VIII. Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar

Artikel 56
1. De verstrekking van uniformkleding aan de adspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die door het bevoegd gezag is aangewezen, alsmede het onderhoud daarvan geschieden door de zorg van het bevoegd gezag. De verstrekking van uniformkleding geschiedt kosteloos. Onze Minister stelt ter zake van de verstrekking van uniformkleding nadere regels vast. 2. De verstrekking van dienstkleding aan de adspirant, de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de bijzondere ambtenaar van politie en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die door het bevoegd gezag is aangewezen, alsmede het onderhoud daarvan geschieden door de zorg van het bevoegd gezag. De verstrekking van dienstkleding geschiedt kosteloos. 3. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is verplicht het uniform en de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit voor hem voorgeschreven is. 4. Het buiten dienst gekleed gaan in uniform is geoorloofd, behalve tijdens het vervullen van een nevenbetrekking of bij het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van derden, in welke vorm dan ook. Van dit verbod kan alleen ten aanzien van uit de openbare kas bezoldigde ambten door Onze Minister ontheffing worden verleend.

Artikel 57
1. Het is de ambtenaar, bedoeld in artikel 56, eerste lid, verboden in dienst uniformkledingstukken te dragen, tenzij deze van dienstwege zijn verstrekt of voorgeschreven. 2. Het is de ambtenaar, bedoeld in artikel 56, eerste lid, verboden bij gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen daarvan door het bevoegd gezag vergunning is verleend.

Artikel 58
1. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie en de bijzondere ambtenaar van politie kunnen studiefaciliteiten worden verleend. 2. Het bevoegd gezag kent studiefaciliteiten toe voor functiegerichte opleidingen tenzij zwaarwegende redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten. 3. Het bevoegd gezag kan studiefaciliteiten toekennen voor opleidingen die niet functiegericht zijn of voor opleidingen die zijn gericht op een functie buiten de politieorganisatie. 4. Het bevoegd gezag stelt nadere regels met betrekking tot het tweede en derde lid.

Artikel 59
De adspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die opsporingsbevoegdheid bezit, of de bijzondere ambtenaar van politie kunnen zich niet beroepen op de omstandigheid niet in dienst te zijn, in die gevallen, waarin hun optreden redelijkerwijze is vereist.

Artikel 60
Indien de ambtenaar verhinderd is zijn dienst te verrichten, is hij verplicht daarvan, onder opgave van redenen, zo spoedig mogelijk mededeling te doen op de door het bevoegd gezag aangegeven wijze.

Artikel 61
1. De ambtenaar kan worden verplicht te gaan of te blijven wonen in of nabij de gemeente waarbinnen de plaats van tewerkstelling is gelegen, indien dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn functie. 2. De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd in of nabij de in het eerste lid bedoelde gemeente te gaan wonen, is gehouden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd, daaraan gevolg te geven.

Artikel 62
1. Het bevoegd gezag kan in het belang van de dienst, in overeenstemming met de ambtenaar, met ingang van een door het ter zake bevoegd gezag te bepalen tijdstip, een ambtenaar detacheren: a. bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mits de detachering op aanvraag van of in overeenstemming met Onze Minister plaatsvindt; b. bij het Ministerie van Justitie, mits de detachering, indien het een ambtenaar, werkzaam bij een regionaal politiekorps of bij het Korps landelijke politiediensten betreft, op aanvraag van of in overeenstemming met Onze Minister van Justitie plaatsvindt; c. bij een regionaal politiekorps of bij het Korps landelijke politiediensten, mits de detachering op aanvraag van of in overeenstemming met de desbetreffende korpsbeheerder respectievelijk Onze Minister plaatsvindt; d. bij het LSOP, mits de detachering op aanvraag van of in overeenstemming met de bestuursraad van het instituut plaatsvindt; e. bij ITO, mits de detachering op aanvraag van of in overeenstemming met de algemeen directeur van de organisatie plaatsvindt; f. bij een door Onze Minister aan te wijzen organisatie. 2. Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bij koninklijk besluit is aangesteld, is voor de detachering de instemming van Onze Minister vereist.

Artikel 63
1. De ambtenaar die in een deelbetrekking is aangesteld en die op aanwijzing of met goedkeuring van het bevoegd gezag een opleiding volgt, is verplicht aan die opleiding deel te nemen als ware hij in een volledige betrekking aangesteld. 2. Voor zolang het eerste lid meebrengt dat de arbeidstijd die de betrekking van de ambtenaar omvat, wordt overschreden, wordt hem een vergoeding toegekend met toepassing van artikel 27 van het Besluit bezoldiging politie. 3. De in het eerste lid gestelde verplichting geldt niet ten aanzien van die opleidingen, waarvoor een programma is vastgesteld dat uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid van deelname door ambtenaren, die een deelbetrekking vervullen.

Artikel 64
Indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, is de ambtenaar verplicht zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen of, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, een andere functie dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.

Artikel 64a [Vervallen per 01-12-2004]

Artikel 65
Op aanvraag van de ambtenaar kan hem een andere functie worden opgedragen, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, of kan hem op aanvraag worden opgedragen zijn functie op een andere dan de aangewezen plaats van tewerkstelling dan wel een ander dan het aangewezen werkgebied uit te oefenen.

Artikel 65a
Indien het belang van de dienst dit vordert, is de ambtenaar in het kader van een door het bevoegd gezag vastgesteld personeels- en organisatiebeleid, verplicht zijn functie al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen, of al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, een andere functie dan die waarin hij is aangesteld, uit te oefenen.

Artikel 66
1. De ambtenaar is verplicht aan het bevoegd gezag, op een door dit gezag te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken. 2. Het bevoegd gezag voert een registratie op basis van de ingevolge het eerste lid gedane opgaven. 3. Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of een goede functionering van de dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. 4. Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen omtrent het verbod, bedoeld in het derde lid.

Artikel 66a
Het is de ambtenaar verboden, anders dan met goedvinden van het bevoegd gezag, geld, geschenken, diensten of kortingen aan te nemen of te bedingen in verband met zijn ambtelijke hoedanigheid.

Artikel 67
1. De ambtenaar die geheel of gedeeltelijk op kosten van de regio, het Rijk, het LSOP of ITO een opleiding heeft verkregen en tijdens die opleiding dan wel binnen drie jaar na het beëindigen daarvan de dienst verlaat, kan worden verplicht deze kosten geheel of gedeeltelijk aan de regio, aan het Rijk, het LSOP of ITO terug te betalen. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die een opleiding waarvoor studiefaciliteiten zijn verleend, voortijdig afbreekt. 3. Indien het bevoegd gezag de verplichting, bedoeld in het eerste en tweede lid, oplegt, geschiedt dit binnen drie maanden na de datum van het ontslag uit de dienst. 4. Het bevoegd gezag stelt over de uitvoering van het eerste en tweede lid nadere regels vast.

Artikel 68
1. Het bevoegd gezag kan de ambtenaar verplichten de door de dienst geleden schade, voor zover deze aan de ambtenaar is te wijten, geheel of gedeeltelijk te vergoeden. Ten aanzien van gevallen waarin de schade minder bedraagt dan € 226,89 kan de korpschef dan wel, indien het een adspirant betreft, de directeur van een instelling, de in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid uitoefenen. 2. Het bedrag van de schadevergoeding wordt niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden.

Artikel 69
1. Aan de ambtenaar wordt de schade aan zijn goederen vergoed die hij buiten zijn schuld lijdt ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst, voor zover die schade niet bestaat uit de normale slijtage van die goederen. 2. De ambtenaar heeft geen aanspraak, bedoeld in het eerste lid, indien hij ter zake van die schade rechten tegenover derden kan doen gelden. Indien de ambtenaar zijn rechten tegenover derden aan de regio, het Rijk, het LSOP dan wel aan ITO cedeert, wordt hij in het genot gesteld van het in geld uitgedrukte bedrag van de schade. 3. Aan de ambtenaar wordt de immateriële schade die hij ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst lijdt in geld vergoed, voor zover hij terzake van deze schade op basis van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak tegenover derden rechten op betaling van een geldsom kan doen gelden en mits hij deze rechten binnen zes maanden na de definitieve rechterlijke uitspraak cedeert aan de regio, de Staat der Nederlanden dan wel aan het LSOP. 4. Indien de regio, het Rijk, het LSOP dan wel ITO ter zake van de door voornoemde cessies verkregen rechten een civiele vordering instelt, worden de kosten die hieruit voor de regio, het Rijk, het LSOP dan wel ITO voortvloeien, niet op de ambtenaar verhaald.

Artikel 69a
1. Indien de ambtenaar wegens de uitvoering van de politietaak aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij hij naar het oordeel van het bevoegd gezag opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld, of grof nalatig is geweest. 2. Indien de ambtenaar schadevergoeding vordert op grond van onrechtmatige daad, jegens hem gepleegd tijdens de uitoefening van de politietaak, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de vordering kennelijk onvoldoende grond heeft of kennelijk onredelijk is. 3. Het bevoegd gezag kan verdere tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp staken of de tegemoetkoming in de kosten van de rechtskundige hulp terugvorderen, indien a de aan een derde toegebrachte schade blijkens rechterlijk vonnis het gevolg is van opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos handelen van de ambtenaar, of b indien de ambtenaar strafrechtelijk wordt veroordeeld. 4. In bijzondere gevallen, gelet op de aard van de zaak of de omstandigheden van de ambtenaar, kan het bevoegd gezag, overwegend dat de handeling geen gevolg is van de taakuitoefening van de ambtenaar, besluiten tot een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp. 5. Het bevoegd gezag stelt een regeling vast met betrekking tot tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

Artikel 70
1. De ambtenaar die in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarvoor krachtens de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn dienst niet verrichten en heeft geen toegang tot dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen dan met toestemming van het bevoegd gezag, dat deze toestemming slechts kan verlenen na een positief medisch advies als bedoeld in hoofdstuk VII. 2. De ambtenaar die verkeert in de situatie, bedoeld in het eerste lid, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de deskundige persoon of de arbodienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de deskundige persoon of de arbodienst gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek. 3. Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge dit artikel zijn dienst niet verricht, geniet hij volle bezoldiging.

Artikel 71
1. Met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde regels wordt met de ambtenaar ten minste eenmaal per jaar een gesprek gehouden over de vervulling van zijn functie in de afgelopen en komende periode en een gesprek over een persoonlijk ontwikkelingsplan. De hoofdzaken van beide gesprekken worden in overeenstemming met de ambtenaar in afzonderlijke, door de ambtenaar medeondertekende documenten vastgelegd. De ambtenaar ontvangt een afschrift van deze documenten. 2. Met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde regels wordt de ambtenaar die een aanvraag daartoe indient dan wel ten aanzien van wie dit door het bevoegd gezag nodig wordt geacht, beoordeeld over de wijze waarop hij zijn functie vervult en zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die functie. Aan de aanvraag van de ambtenaar om overeenkomstig dit lid te worden beoordeeld, wordt niet eerder voldaan dan na het verstrijken van één jaar sedert de vastlegging van de voorafgaande over hem uitgebrachte beoordeling. 3. Met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde regels worden toekomstverwachtingen opgemaakt over de ambtenaar die in beschouwing wordt genomen voor een naar verwachting binnen afzienbare tijd vrijkomende hogere functie in het korps dan wel binnen het LSOP of ITO. Ook kunnen toekomstverwachtingen worden opgemaakt voor een ambtenaar die in de nabije toekomst een verplaatsing naar een andere niet hogere functie in het korps dan wel binnen het LSOP of ITO aanvraagt of ten aanzien van wie een dergelijke verplaatsing wenselijk wordt geacht, mits de mogelijkheid tot een dergelijke verplaatsing reëel aanwezig is en de korpschef, de directie van het LSOP dan wel de algemeen directeur van ITO instemt met de wens van de ambtenaar. 4. Onder toekomstverwachting wordt in dit verband verstaan: een systematische bezinning op de behoeften en potentiële capaciteiten van de ambtenaar, bekeken in het kader van de mogelijkheden binnen het desbetreffende korps, het LSOP dan wel ITO, welke bezinning uitmondt in concrete afspraken alsmede het daarop tijdig actie ondernemen. 5. De ambtenaar wordt van de inhoud van de over hem opgemaakte beoordeling, bedoeld in het tweede lid, of de over hem opgemaakte toekomstverwachting, bedoeld in het derde en vierde lid, in kennis gesteld nadat deze door het bevoegd gezag is bekrachtigd. Hij ontvangt een afschrift van het document dat de over hem opgemaakte beoordeling of de toekomstverwachting bevat. Hij ondertekent dit document voor kennisgeving van de inhoud en voor ontvangst ervan.
Hij kan zijn bezwaren tegen de over hem opgemaakte beoordeling of toekomstverwachting overeenkomstig de door het bevoegd gezag vastgestelde regels aan het bevoegd gezag kenbaar maken en om herziening verzoeken.

6. Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels vaststellen.

Artikel 72 [Vervallen per 07-11-1997]

Artikel 73
1. Aan de ambtenaar kan door het bevoegd gezag de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen, dienstterreinen, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd. 2. Hij is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die ten aanzien van het verblijf op voornoemde plaatsen zijn vastgesteld.

Artikel 74
1. De ambtenaar kan wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke dienstverrichtingen worden beloond. 2. De beloningen zijn: a. tevredenheidsbetuiging; b. extra verlof; c. gratificatie; d. verhoging van het salaris tot het naasthogere bedrag in de salarisschaal of e. indeling in een hogere salarisschaal.

Artikel 75
1. Het bevoegd gezag verstrekt aan de ambtenaar bij zijn twaalfeneenhalf-, 25-, 40-, of 50-jarig ambtsjubileum een huldeblijk, bestaande uit een gratificatie of geschenk, dan wel uit een combinatie van beide. 2. De aan het huldeblijk verbonden uitgaven bedragen bij de in het eerste lid genoemde ambtsjubilea respectievelijk niet meer dan vijfentwintig, vijftig, honderd en honderd procent van de som van de bezoldiging en de vakantieuitkering van de ambtenaar. 3. Het bevoegd gezag kent aan de ambtenaar die een diensttijd bij politie heeft van tien jaar of meer en aan wie ontslag is verleend op grond van artikel 91 of op grond van artikel 94, eerste lid, onderdeel e, een gratificatie toe, tenzij bij voortduring van het dienstverband niet binnen een termijn van vijf jaar aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum zou bestaan. De gratificatie bedraagt een in verhouding tot de doorgebrachte diensttijd evenredig gedeelte van de eerstvolgende gratificatie bij ambtsjubileum waarop hij bij het voortduren van het dienstverband aanspraak zou maken. 4. Het bevoegd gezag kent aan de ambtenaar die de zestigjarige leeftijd heeft bereikt en aan wie ontslag is verleend op grond van artikel 88 een gratificatie toe op voet van het tweede lid, indien hij bij het voortduren van het dienstverband tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd aanspraak zou maken op een gratificatie bij 40- of 50-jarig ambtsjubileum. 5. Onze Minister stelt regels over de diensttijd die voor de vaststelling van de in het eerste lid genoemde ambtsjubilea in aanmerking komt.

Hoofdstuk IX. Straffen

Artikel 76
1. De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft. 2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Artikel 77
1. De straffen die kunnen worden opgelegd, zijn: a. schriftelijke berisping; b. buitengewone dienst op andere dagen dan op zondag en de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen en vrije dagen zonder beloning of tegen een lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag; c. vermindering van het recht op een jaarlijkse vakantie met ten hoogste een vierde gedeelte van het aantal dagen, bedoeld in artikel 17, waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat; d. geldboete van ten hoogste € 22; e. gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand; f. vermindering van het salarisnummer met ten hoogste twee jaren, voor de tijd van niet langer dan twee jaren; g. het niet meetellen van een verdere diensttijd van ten hoogste vier jaren voor de vaststelling van het salarisnummer; h. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van de bezoldiging of i. plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt; j. ontslag. 2. Aan aspiranten kan tevens worden opgelegd de straf van verwijdering voor ten hoogste veertien dagen van de instelling waar de aspirant zijn opleiding geniet, met dien verstande dat deze straf niet wordt opgelegd op de dagen waarop de opleidingsresultaten van de aspiranten volgens de ter zake vastgestelde regels worden getoetst of beoordeeld. 3. Onverminderd het vierde lid, worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, opgelegd door het bevoegd gezag, met dien verstande dat van de bevoegdheid tot het opleggen van de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met g, mandaat kan worden verleend aan de korpschef, het college van bestuur van het LSOP dan wel aan de algemeen directeur van ITO. 4. Indien het een ambtenaar betreft die bij koninklijk besluit is benoemd, worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met f, opgelegd door het bevoegd gezag en worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen h tot en met j, opgelegd bij koninklijk besluit.
Indien het een ambtenaar betreft, werkzaam bij een regionaal politiekorps, bij het Korps landelijke politiediensten of bij ITO, die bij koninklijk besluit is benoemd, worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en g, opgelegd door Onze Minister. Indien het een bijzondere ambtenaar van politie betreft, die bij koninklijk besluit is benoemd, worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en g, opgelegd door Onze Minister van Justitie. Indien het een ambtenaar betreft, werkzaam bij het LSOP, die bij koninklijk besluit is benoemd, worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en g, opgelegd door Onze Minister van Justitie en Onze Minister.

5. Indien een straf als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, is opgelegd, kan het bevoegd gezag de positie van de ambtenaar met ingang van een bepaald tijdstip geheel of ten dele in overeenstemming brengen met de positie zoals deze zonder strafoplegging zou zijn geweest, indien het verdere gedrag van de ambtenaar naar het oordeel van het bevoegd gezag daartoe aanleiding heeft gegeven.

Artikel 78
1. Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden. 2. Indien met toepassing van het eerste lid de straf van ontslag wordt opgelegd, kan tegelijk met deze straf één van de in artikel 77, eerste lid, onderdelen a tot en met e genoemde straffen worden opgelegd.

Artikel 79
1. Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid zich te verantwoorden in het geval dat het bevoegd gezag voornemens is hem een straf op te leggen, geschiedt de verantwoording ten overstaan van het gezag dat tot strafoplegging bevoegd is. Indien de bevoegdheid tot strafoplegging bij Ons berust, geschiedt de verantwoording bij Onze Minister en Onze Minister van Justitie. Het gezag ten overstaan waarvan de verantwoording plaats zal hebben, bepaalt of deze verantwoording mondeling of schriftelijk zal plaatsvinden. Bij schriftelijke verantwoording wordt de ambtenaar op zijn verzoek de gelegenheid gegeven tot nadere mondelinge toelichting. 2. Van de mondelinge verantwoording wordt direct een verslag opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door degene tegenover wie de verantwoording heeft plaatsgevonden en door de ambtenaar. Indien de ambtenaar het verslag weigert te ondertekenen, wordt dit in het verslag, zo mogelijk met opgave van de redenen, vermeld. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het verslag. 3. Indien de ambtenaar dit verlangt, worden hem of zijn raadsman afschriften verstrekt van de ambtelijke rapporten of andere geschriften die op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.

Artikel 80
1. De ambtenaar kan niet worden gestraft wegens overtreding van artikel 125a, eerste lid, van de Ambtenarenwet, dan nadat daarover advies is ingewonnen van de commissie bedoeld in artikel 2 van het Besluit van 13 oktober 1992, houdende regelen met betrekking tot de instelling, de taak, de samenstelling en de werkwijze van de commissie bedoeld in de artikelen 82a, eerste lid, en 97b, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, de artikelen 117a, eerste lid, en artikel 128, eerste lid van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, en artikel 55a, eerste lid, van het Arbeidsovereenkomstenbesluit (Stb. 565) . 2. Het bevoegd gezag geeft bij zijn besluit tot strafoplegging te kennen of dit in overeenstemming is met het ingewonnen advies.

Artikel 81
De ambtenaar dient van de ontvangst van een besluit inzake strafoplegging te doen blijken door onmiddellijke terugzending van een door hem ondertekend en gedateerd ontvangstbewijs.

Artikel 82
De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij het opleggen van de straf is bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

Hoofdstuk X. Schorsing en ontslag

Artikel 83
De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst wanneer hem rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, tenzij de vrijheidsontneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, genomen in het belang van de volksgezondheid.

Artikel 84
1. Onverminderd artikel 77, eerste lid, onderdeel h , kan de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst: a. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen hem is ingesteld; b. wanneer hem door het bevoegd gezag dan wel door Ons, indien het een ambtenaar betreft die bij koninklijk besluit is benoemd, het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is meegedeeld dan wel wanneer hem die straf is opgelegd of c. wanneer naar het oordeel van het bevoegd gezag dan wel naar Ons oordeel indien het betreft een ambtenaar die bij koninklijk besluit is benoemd, het belang van de dienst dit vereist. 2. Tenzij bij wet is bepaald dat schorsing bij koninklijk besluit geschiedt, geschiedt schorsing door het bevoegd gezag. In afwachting van de schorsing kan de ambtenaar buiten functie worden gesteld door het bevoegd gezag, met dien verstande dat ten aanzien van de bij koninklijk besluit benoemde ambtenaren die werkzaam zijn bij een regionaal politiekorps of bij ITO machtiging van Onze Minister is vereist en ten aanzien van de bij koninklijk besluit benoemde ambtenaren die werkzaam zijn bij het LSOP machtiging van Onze Minister van Justitie en Onze Minister is vereist. 3. De duur van de schorsing bedraagt maximaal zes maanden.
In uitzonderlijke gevallen kan deze termijn nog eenmaal met drie maanden worden verlengd.

Artikel 85
1. Tijdens de schorsing kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van zes weken kan een verdere inhouding, ook van het volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden. Geen inhouding vindt plaats ingeval van een schorsing in het belang van de dienst als bedoeld in artikel 84, eerste lid, onderdeel c, van opneming in een psychiatrisch ziekenhuis, bedoeld in artikel 1 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, dan wel van politiebewaring of inverzekeringstelling als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering, mits niet gevolgd door inbewaringstelling. 2. De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de ambtenaar worden uitbetaald, indien de schorsing niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf of ontslag op grond van artikel 94, eerste lid, onderdeel d. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten die de ambtenaar sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij dit naar het oordeel van het bevoegd gezag onredelijk of onbillijk is. 3. Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging van de geschorste ambtenaar kan aan anderen worden uitbetaald. 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bezoldiging verstaan de bezoldiging in de zin van artikel 1, onderdeel s, van het Besluit bezoldiging politie dan wel ingeval van schorsing tijdens ziekte van de ambtenaar, hetgeen daaronder voor de toepassing van hoofdstuk 10 van het Besluit bezoldiging politie wordt verstaan.

Artikel 86
1. Tenzij bij wet is bepaald dat ontslag wordt gegeven bij koninklijk besluit, wordt ontslag gegeven door het bevoegd gezag. 2. Aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 89, artikel 90, artikel 91, eerste lid, artikel 92 of artikel 94, eerste lid, onderdeel f , wordt schriftelijk medegedeeld dat toekenning van een bovenwettelijke uitkering als bedoeld in het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie, pas plaatsvindt, nadat door hem een aanvraag daartoe is ingediend.

Artikel 87
1. De ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend. 2. Behoudens het geval, bedoeld in artikel 48, eerste lid, wordt dit ontslag verleend met ingang van een dag die niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden ligt na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen. 3. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen de ambtenaar is ingesteld of indien wordt overwogen de straf van ontslag op te leggen. 4. Van het tweede lid kan worden afgeweken: a. indien wordt overwogen de ambtenaar een straf als bedoeld in artikel 77 op te leggen; b. indien het belang van de dienst dit vereist, met dien verstande dat de termijn van drie maanden, bedoeld in het tweede lid, tot ten hoogste zes maanden kan worden verlengd en dat bij de verlenging in redelijkheid met het belang van de ambtenaar rekening wordt gehouden, of c. op aanvraag van de ambtenaar. 5. Indien een ontslag op aanvraag wordt verleend aan een adspirant, gaat dit ontslag, in afwijking van het tweede lid, onmiddellijk in. 6. Het ontslag op aanvraag van de ambtenaar wordt eervol verleend.

Artikel 87a
1. Onder de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel, genoemd in dit artikel, wordt verstaan de overeenkomst, die is aangegaan op grond van artikel 2 van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel. Onder het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, genoemd in dit artikel, wordt verstaan het reglement van die stichting dat is vastgesteld met inachtneming van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP. 2. Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, wordt ontslag verleend indien: a. het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na dat te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden en b. in het jaar voorafgaande aan de beoogde ontslagdatum geen gespaard verlof als bedoeld in de Regeling verlofsparen politie is genoten. 3. Het ontslag, bedoeld in het tweede lid, gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht ontstaat op een uitkering als bedoeld in het tweede lid. 4. Op aanvraag van de ambtenaar kan het ontslag, bedoeld in het tweede lid, ook voor een gedeelte van zijn arbeidstijd worden verleend, tenzij het belang van de dienst zich hiertegen verzet. Het gedeelte van dit ontslag bedraagt ten minste 10% van de omvang van de betrekking.
Ontslag voor een gedeelte uit een betrekking waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag met het oog op de in het tweede lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden, bedraagt ten minste 10% van de oorspronkelijke arbeidstijd.

5. Artikel 87, tweede tot en met vierde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 88
1. Aan de ambtenaar die op 1 januari 2001 50 jaar of ouder was en die op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 was aangesteld voor a. de uitvoering van technische administratieve en andere taken ten dienste van de politie in een door het bevoegd gezag aangewezen functie waaraan bij door Onze Minister gestelde regels tot 1 januari 2001 een leeftijdsgrens was verbonden, of b. de uitvoering van de politietaak, wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, eervol ontslag verleend. Indien de in de eerste volzin bedoelde ambtenaar de functie heeft van vlieger bij het Korps landelijke politiediensten, wordt aan hem met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de 55-jarige leeftijd bereikt, eervol ontslag verleend. 2. Het in het eerste lid bedoelde ontslag op zestigjarige leeftijd kan op verzoek van de ambtenaar worden uitgesteld, mits met toepassing van artikel 88c dan wel met toepassing van artikel 50, eerste lid, onderdeel g, is vastgesteld dat hiertegen geen bezwaar bestaat. 3. Na het in het tweede lid bedoelde uitstel vindt op aanvraag van de ambtenaar eervol ontslag plaats. 4. Het ontslag, bedoeld in het derde lid, wordt verleend met ingang van de eerste dag van een maand. Dit ontslag wordt niet eerder verleend dan een maand en niet later dan drie maanden na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen. 5. Indien de ambtenaar na het in het tweede lid bedoelde uitstel blijkens de uitslag van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek lichamelijk en psychisch niet meer in staat kan worden geacht zijn functie te blijven vervullen, vindt eervol ontslag plaats. 6. Het ontslag, bedoeld in het vijfde lid, wordt verleend met ingang van de eerste dag van een maand. 7. Indien de ambtenaar na het in het tweede lid bedoelde uitstel ongeschikt wordt tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, vindt met ingang van de eerste dag van een maand eervol ontslag plaats indien sprake is van ongeschiktheid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van 52 weken. Voor het bepalen van de periode van 52 weken worden perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte samengeteld, indien de perioden van ongeschiktheid elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. 8. Het ontslag, bedoeld in het derde, vijfde en zevende lid, wordt niet verleend indien binnen een jaar voorafgaande aan de beoogde ontslagdatum gespaard verlof als bedoeld in de Regeling verlofsparen politie is genoten. 9. De ambtenaar aan wie op grond van het eerste, derde, vijfde of zevende lid, ontslag is verleend, heeft recht op een uitkering overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels. 10. Het ontslag op grond van het eerste, derde, vijfde of zevende lid, is een ontslag als bedoeld in artikel 87a, tweede lid, indien ten aanzien van dat ontslag wordt voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarden.

Artikel 88a
1. Aan de ambtenaar die op grond van artikel B3, eerste en tweede lid, van het AFUP-opbouwreglement deelnemer is aan de AFUP en de functie heeft van vlieger bij het Korps landelijke politiediensten en direct voorafgaande aan ontslag op grond van dit artikel een diensttijd van ten minste tien jaren als zodanig heeft, wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de 55-jarige leeftijd bereikt, eervol ontslag verleend. 2. Het bevoegd gezag kan van het verlenen van het ontslag, bedoeld in het eerste lid alsmede het ontslag bedoeld in artikel 88, eerste lid, aan de ambtenaar die de functie heeft van vlieger bij het Korps landelijke politiediensten, voor de duur van telkens ten hoogste één jaar afzien, indien de ambtenaar zulks heeft aangevraagd of daarmee instemt en hij blijkens de uitslag van een door de deskundige persoon of de arbodienst ingesteld arbeidsgezondheidskundig onderzoek, als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel f, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht de functie van vlieger te blijven vervullen. 3. Indien niet meer wordt voldaan aan een of beide van de voorwaarden genoemd in het tweede lid, vindt eervol ontslag plaats. 4. Het ontslag, bedoeld in het derde lid, wordt verleend met ingang van de eerste dag van een maand. Indien dit ontslag plaats vindt op aanvraag van de ambtenaar wordt dit ontslag niet eerder verleend dan een maand en niet later dan drie maanden na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen. 5. De ambtenaar aan wie op grond van het eerste of derde lid ontslag is verleend, heeft recht op een uitkering overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels. 6. Het ontslag op grond van het eerste of derde lid, is een ontslag als bedoeld in artikel 87a, tweede lid, indien ten aanzien van dat ontslag wordt voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarden.

Artikel 88b
1. Aan de ambtenaar die op 1 januari 2001 jonger was dan 50 jaar en die op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 was aangesteld voor a. de uitvoering van technische administratieve en andere taken ten dienste van de politie in een door het bevoegd gezag aangewezen functie waaraan bij door Onze Minister gestelde regels tot 1 januari 2001 een leeftijdsgrens was verbonden, of b. de uitvoering van de politietaak, en die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond van het AFUP-opbouwreglement, wordt eervol ontslag verleend indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na dat te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van het AFUP-opbouwreglement. Het ontslag gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht op de ingevolge de eerste volzin bedoelde uitkering ontstaat. 2. De ambtenaar aan wie op grond van het eerste lid ontslag is verleend, heeft recht op een aanvulling op de uitkering op grond van het AFUP-opbouwreglement overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels.

Artikel 88c
1. Indien de ambtenaar bedoeld in de eerste volzin van artikel 88, eerste lid, te kennen heeft gegeven dat hij na het bereiken van de leeftijd van zestig jaar zijn functie wil blijven uitoefenen, is hij indien hij is ingedeeld in een salarisschaal lager dan salarisschaal 10, verplicht om uiterlijk één jaar voor het bereiken van de leeftijd van zestig jaar een vragenlijst met betrekking tot zijn gezondheidstoestand in te vullen. 2. Aan de hand van de beantwoorde vragenlijst bepaalt het bevoegd gezag, daartoe geadviseerd door de deskundige persoon of de arbodienst, of het noodzakelijk is dat de ambtenaar een arbeidsgezondheidskundig onderzoek moet ondergaan teneinde vast te stellen of de ambtenaar lichamelijk en psychisch in staat is zijn functie te blijven uitoefenen, nadat hij de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt. 3. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de inhoud van de in het eerste lid genoemde vragenlijst en de procedures omtrent de vragenlijst.

Artikel 89
1. Aan de aspirant die aan het einde van de aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in artikel 3, eerste lid, niet voldoet aan de gestelde kwalificatie-eisen, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de aanstelling in tijdelijke dienst is verstreken. 2. Aan de aspirant en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die tegen het einde van de proeftijd, bedoeld in artikel 3, tweede lid, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de proeftijd is verstreken. 3. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken ten dienste van politie, die tegen het einde van de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de proeftijd is verstreken. 4. Aan de adspirant die gedurende de initiële opleiding en aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak dan wel de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken ten dienste van de politie, die gedurende de proeftijd niet de geschiktheid blijkt te bezitten die voor de dienst wordt vereist, kan eervol ontslag worden verleend, mits een opzeggingstermijn in acht wordt genomen van: a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest; b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste zes maanden maar korter dan twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest of c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst is geweest. 5. Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan vóór de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantieuitkering, berekend op voet van hoofdstuk 6 van het Besluit bezoldiging politie. 6. Aan de aspirant die is aangesteld op grond van artikel 3, tweede of derde lid, en die aan het einde van de initiële opleiding niet aan de gestelde kwalificatie-eisen voldoet, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de initiële opleiding is verstreken.

Artikel 90
1. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die blijkens zijn akte van aanstelling is benoemd voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, en aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die blijkens zijn akte van aanstelling is benoemd voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen b, c, d en e, is, tenzij het tegendeel blijkt, van rechtswege eervol ontslag verleend zodra die tijd is verstreken. Bij voortduring van het dienstverband na het verstrijken van de bepaalde tijd is de ambtenaar van rechtswege aangesteld voor onbepaalde tijd. 2. Het eerste lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaar die blijkens zijn akte van aanstelling is benoemd voor bepaalde tijd overeenkomstig artikel 3, vierde lid, onderdeel c, of artikel 4, eerste lid, onderdeel f. 3. De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die is aangesteld voor onbepaalde tijd, kan ontslag worden verleend mits een opzegtermijn in acht wordt genomen van: a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest; b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste zes maanden doch korter dan twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest of c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst is geweest. 4. Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden gedurende de zwangerschap van de vrouwelijke ambtenaar noch gedurende het verlof bedoeld in artikel 55 noch, indien zij de dienst heeft hervat, gedurende een periode van zes weken volgend op dat verlof. Ter staving van de zwangerschap kan het bevoegd gezag een verklaring van een arts of van een verloskundige verlangen. 5. Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. 6. Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar geplaatst is op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de ondernemingsraden, noch vanwege het lidmaatschap of het korter dan twee jaar geleden beëindigde lidmaatschap van de ambtenaar van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad. 7. Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar door een Centrale als bedoeld in artikel 1, onder i, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 of door een daarbij aangesloten bond of vereniging is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn Centrale of een daarbij aangesloten bond of vereniging, dan wel binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten bonden of verenigingen te ondersteunen. 8. Opzegging als bedoeld in het derde lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar zijn recht op ouderschapsverlof geldend maakt. 9. Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, kan ontslag worden verleend met ingang van de dag, gelegen binnen de bepaalde tijd. In dat geval zijn het derde tot en met achtste lid van overeenkomstige toepassing. 10. Onverminderd artikel 4a, derde en zevende lid, kan aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, bedoeld in het tweede lid, ontslag worden verleend met ingang van de dag, gelegen binnen de bepaalde tijd, mits hij aansluitend hernieuwd in vaste dienst wordt aangesteld door het bevoegde gezag binnen wiens gezagsbereik hij was aangesteld direct voorafgaand aan de aanstelling in tijdelijke dienst. Het derde tot en met achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing. 11. Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan vóór de afloop van de opzeggingstermijn.
Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag betaald gelijk aan de laatst genoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering, berekend op de voet van het Besluit bezoldiging politie.

Artikel 91
1. Aan de ambtenaar kan eervol ontslag worden verleend: a. wegens opheffing van zijn betrekking of b. wegens overtolligheid van personeel als gevolg van verandering in de inrichting van de dienst dan wel wegens inkrimping van de personeelssterkte als gevolg van vermindering der werkzaamheden. 2. Ontslag op één van de in het eerste lid genoemde gronden kan slechts plaatsvinden indien: a. het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar, andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende werkzaamheden op te dragen binnen het gezagsbereik van: 1e. Onze Minister, indien Wij tot ontslagverlening bevoegd zijn, en 2e. degene die tot ontslagverlening bevoegd is in alle overige gevallen, of b. de ambtenaar weigert deze werkzaamheden te aanvaarden. 3. Bij het opdragen van passende werkzaamheden zal ten einde het ontstaan dan wel het vergroten van feitelijke ongelijkheden tegen te gaan, uitgangspunt zijn dat voorrang wordt gegeven aan vrouwelijke ambtenaren. 4. Ontslag van ambtenaren wegens overtolligheid van personeel geschiedt in de volgende rangorde: a. zij die dit wensen; b. zij die vijfendertig of meer voor pensioen geldige dienstjaren hebben, waarbij ouderen in leeftijd vóór jongeren gaan; c. zij die de leeftijd van vijfendertig jaar nog niet hebben overschreden, te beginnen met hen die het geringste aantal jaren in burgerlijke overheidsdienst hebben doorgebracht; d. zij die het geringst aantal jaren in burgerlijke overheidsdienst hebben doorgebracht. 5. Voor de berekening van het aantal jaren in burgerlijke overheidsdienst wordt mede in aanmerking genomen de tijd die is gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van de ambtenaar behorende 0-4-jarige eigen, stief- of pleegkinderen tot een maximum van in totaal zes jaren. 6. Indien het dienstbelang dit vereist, kan bij de verlening van ontslag van de rangorde, bedoeld in het vierde lid, worden afgeweken. Omvat de afvloeiing in dat geval meer dan 1% van het aantal ambtenaren dan wel ten hoogste 20 ambtenaren, werkzaam bij een regionaal politiekorps, bij het Korps landelijke politiediensten, bij het LSOP of bij ITO dan geschiedt zij naar een bepaald vooraf vastgesteld plan. Betreft de afvloeiing bijzondere ambtenaren, dan wordt een dergelijk plan slechts vastgesteld indien de omvang van het aantal ambtenaren dat moet afvloeien daartoe aanleiding geeft. 7. Bij een ontslagverlening op grond van het eerste lid wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen. 8. Een ontslagverlening op grond van het eerste lid kan betrekking hebben op een gedeelte van de tijd waarvoor de ambtenaar is aangesteld.

Artikel 92
1. Aan de ambtenaar die een benoeming als minister of staatssecretaris aanvaardt, wordt met ingang van de dag van het aanvaarden van deze betrekking, eervol ontslag verleend. 2. Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college waarin hij is aangesteld of verkozen, tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend. 3. Tenzij artikel 48, eerste lid, van toepassing is, wordt eervol ontslag eveneens verleend aan de ambtenaar die na afloop van het verlof, verleend met toepassing van artikel 45 dan wel van artikel 47, eerste lid, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld.

Artikel 93
Indien een ontslag als bedoeld in artikel 125e, tweede lid, van de Ambtenarenwet door het bevoegd gezag of bij koninklijk besluit wordt verleend, is de medewerking vereist van Onze Minister en Onze Minister van Justitie.

Artikel 94
1. Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of ingevolge artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, artikel 88, 89, 90, 91, 92, of 93 kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van: a. het verlies van een vereiste voor de aanstelling, gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt; b. onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waarbij de ambtenaar onder curatele is gesteld; c. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak; d. onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens misdrijf; e. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte; f. het vanuit ziekte verrichten van passende arbeid bij een andere werkgever op grond van artikel 49b; g. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken; h. het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd; i. het bij of in verband met indiensttreding of keuring verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld, of j. het zonder deugdelijke grond weigeren gevolg te geven of medewerking te verlenen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 49c. 2. Een ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen a, e, f, g en h wordt steeds eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan de dag, volgende op die waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was, met dien verstande dat een ontslag op grond van het eerste lid, onderdeel g, eerst kan ingaan vier weken nadat het ontslagbesluit aan de ambtenaar is bekendgemaakt, tenzij sprake is van dringende redenen. 3. Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, kan slechts plaatsvinden indien: a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar, b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en c. na een zorgvuldig onderzoek is gebleken dat binnen het gezagsbereik van het bevoegd gezag of bij een andere werkgever geen passende arbeid voorhanden is. 4. Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan, behoudens wederzijds goedvinden, slechts plaatsvinden indien: a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar, b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en c. de betrokkene in dienst treedt van de andere werkgever. 5. Bij het bepalen van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het derde lid, onder a, en het vierde lid, onder a, wordt niet in aanmerking genomen afwezigheid van een ambtenaar wegens door haar zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het einde van het bevallingsverlof. 6. Voor het bepalen van het in het derde lid, onder a, en het vierde lid, onder a, bedoelde tijdvak van twee jaar worden tijdvakken van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,

indien zij worden onderbroken door afwezigheid wegens door zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het einde van het bevallingsverlof of

indien een onder b bedoelde afwezigheid wordt voorafgegaan of wordt gevolgd door een periode van arbeidsgeschiktheid die in totaal minder dan vier weken bedraagt.

7. Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, en het vierde lid, onderdelen a en b, vraagt het bevoegd gezag het oordeel van een daartoe door de uitvoeringsinstelling, die de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering uitvoert ten aanzien van de ambtenaar, aangewezen arts. 8. De in het zevende lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling een door het bevoegd gezag aangewezen arts en, indien de ambtenaar dit wenst, een door de ambtenaar aangewezen arts. 9. Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar er schriftelijk van in kennis dat de procedure, bedoeld in het zevende lid, wordt ingesteld. Daarbij wijst het bevoegd gezag de ambtenaar op de mogelijkheid om een arts van zijn keuze te laten deelnemen aan de procedure. 10. De kennisgeving, bedoeld in het negende lid, geschiedt niet eerder dan nadat de ambtenaar gedurende een onafgebroken periode van 18 maanden ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Het vijfde lid is hierbij van overeenkomstige toepassing. 11. De in het zevende lid bedoelde arts stelt naar aanleiding van zijn bevindingen een rapport op. Hij zendt dit rapport aan het bevoegd gezag. Tevens zendt hij een afschrift van dit rapport aan de ambtenaar. 12. Indien herplaatsing als bedoeld in het derde lid, onder c, plaatsvindt in een betrekking voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere aantal uren. 13. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, en de ambtenaar bij de andere werkgever voor minder uren arbeid verricht dan het aantal waarvoor hij was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het aantal uren dat hij passend werk verricht bij de andere werkgever. 14. Alvorens op grond van het eerste lid, onderdeel j, ontslag te verlenen, vraagt het bevoegd gezag advies aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Artikel 95
1. Een ambtenaar kan ook op andere gronden, dan die welke in artikel 94 zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, worden ontslagen. Voor een ontslagverlening als bedoeld in de eerste volzin, van een ambtenaar werkzaam bij een regionaal politiekorps, bij het Korps landelijke politiediensten, bij het LSOP of bij ITO is de medewerking vereist van Onze Minister, indien bij wet is bepaald dat ontslag bij koninklijk besluit wordt verleend. Voor een ontslagverlening, bedoeld in de eerste volzin, van een bijzondere ambtenaar van politie is de medewerking vereist van Onze Minister van Justitie, indien bij wet is bepaald dat ontslag bij koninklijk besluit wordt verleend.
Het ontslag wordt eervol verleend.

2. In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt een regeling getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering wordt toegekend die met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal in geen geval minder mogen zijn dan die welke de ambtenaar op grond van artikel 97 zou toekomen in geval van ontslag als daar bedoeld. 3. De regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt getroffen: a. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, indien het een korpschef van een regionaal politiekorps, dan wel een lid van de leiding van een regionaal politiekorps, dat in het bijzonder verantwoordelijk is voor de recherchefunctie, betreft, alsmede indien het de korpschef, dan wel een lid van de leiding van het Korps landelijke politiediensten betreft; b. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, indien het een andere ambtenaar dan die bedoeld in onderdeel a betreft, werkzaam bij een regionaal politiekorps, bij het Korps landelijke politiediensten of bij ITO, die bij koninklijk besluit is benoemd; c. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister, indien het een bijzonder ambtenaar van politie betreft, die bij koninklijk besluit is benoemd; d. door Onze Minister, indien het een ambtenaar betreft, werkzaam bij een regionaal politiekorps, bij het Korps landelijke politiediensten of bij ITO die niet bij koninklijk besluit is benoemd en e. door Onze Minister van Justitie, indien het een bijzonder ambtenaar van politie betreft, die niet bij koninklijk besluit is benoemd. f. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister van Justitie en van Onze Minister, indien het een ambtenaar betreft, werkzaam bij het LSOP die bij koninklijk besluit is benoemd; g. het college van bestuur van het LSOP, indien het een ambtenaar betreft, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs, die niet bij koninklijk besluit is benoemd.

Artikel 96 [Vervallen per 18-07-2001]

Artikel 97
Aan de ambtenaar die als gevolg van een ontslag op grond van de artikelen 89, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, 90, met uitzondering van het tweede lid, 91, eerste lid, 92, of 94, eerste lid, onderdeel e of f, van dit besluit, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, kan een bovenwettelijke aanvulling op zijn WW-uitkering worden toegekend krachtens het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie. Bij samenloop van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie met het Besluit suppletie gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie, wordt laatstgenoemd besluit uitgevoerd. Het recht op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie leidt in dat geval niet tot uitkering en de berekening van de periode daarvan wordt niet gewijzigd.

Artikel 98 [Vervallen per 01-01-2001]

Hoofdstuk XI. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 99
1. Een ambtenaar die op grond van afdeling 1, hoofdstuk 2, artikel 1, van de Invoeringswet Politiewet 1993 naar een politieregio dan wel het Korps landelijke politiediensten is overgegaan en die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de Politiewet 1993 aanspraken had op grond van het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975, het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958, de Rechtstoestandsregeling opleiding ter verkrijging van het diploma van inspecteur van gemeentepolitie of van officier der rijkspolitie, of artikel VII van het Besluit van 24 juni 1992, houdende wijziging van het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975, het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958, het Bezoldigingsreglement politie 1958, het Besluit geneeskundige verzorging politie 1984 en het Besluit overleg en medezeggenschap politie in verband met het tot stand brengen van een eenvormige rechtspositie voor alle politieambtenaren, behoudt deze aanspraken. 2. Een ambtenaar, werkzaam bij het LSOP, die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de LSOP-wet aanspraken op grond van het Ambtenarenreglement LSOP had, behoudt deze aanspraken.

Artikel 99a
Ten aanzien van degene die voor 1 april 1994 op grond van artikel 7 van de Rechtspositieregeling opleiding ter verkrijging van het diploma van inspecteur van gemeentepolitie of van officier der rijkspolitie benoemd was door Onze Minister als ambtenaar in tijdelijke dienst, is met ingang van 1 april 1994 Onze Minister het bevoegd gezag gedurende de tijd dat deze ambtenaar zijn opleiding volgt.

Artikel 99b
Met ingang van 1 juli 2007 vervallen de artikelen 4a en 65a.

Artikel 99c
1. Voor degene die op 30 juni 2007 met toepassing van artikel 4a is aangesteld in tijdelijke dienst, blijven de artikelen 1, 3, 4, 4a en 90, zoals luidend op 30 juni 2007, van toepassing tot het tijdstip dat hij hernieuwd in vaste dienst wordt aangesteld. Indien voor hem tijdens die aanstelling in tijdelijke dienst gedurende vier jaar of korter een hogere salarisschaal heeft gegolden dan de salarisschaal die voor hem gold gedurende de onmiddellijk daaraan voorafgaande aanstelling in vaste dienst, blijft artikel 4a, zoals luidend op 30 juni 2007, van toepassing tot het moment waarop de in dat artikel bedoelde inspanningsverplichting vervalt. 2. Voor degene die met toepassing van artikel 4a hernieuwd in vaste dienst is aangesteld en ten opzichte van wie het bevoegde gezag op grond van dat artikel op 30 juni 2007 een inspanningsverplichting heeft, blijft dat artikel, zoals luidend op 30 juni 2007, van toepassing voor de resterende duur van die inspanningsverplichting. 3. Een in de periode tussen 3 september 1999 en 1 juli 2007 gegeven toepassing aan de artikelen 64, 65 en 65a behoudt haar geldigheid na 30 juni 2007.

Artikel 100
1. De artikelen 12, 13, eerste en derde lid, 15 tot en met 25, 28, 43 tot en met 48, 58, 61, 62, 64, en 71 zijn op de aspirant niet van toepassing, met dien verstande dat artikel 12 wel van toepassing is op de aspirant gedurende het praktische opleidingsdeel. 2. De artikelen 13, 15 tot en met 28, 43 tot en met 48, 58, 59, 61, 64, en 71 zijn op de vakantiewerker niet van toepassing.

Artikel 101
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen genoemd in dit besluit, met uitzondering van die, genoemd in artikel 51, tweede en derde lid.

Artikel 102
Het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975, het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958, het Besluit benoemingseisen politieambtenaren 1958, het Besluit bevorderingseisen hoger politiepersoneel 1958, het Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964, en de Rechtspositieregeling opleiding ter verkrijging van het diploma van inspecteur van gemeentepolitie of officier der rijkspolitie worden ingetrokken.

Artikel 103
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1994.

Artikel 104
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit algemene rechtspositie politie.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

‘s-Gravenhage, 16 maart 1994
Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken,
E. van Thijn