Ambtenarenwet

Wet van 12 december 1929, houdende regelen betreffende den rechtstoestand van ambtenaren

Titel I. Algemeene bepalingen

Artikel 1
1.
Ambtenaar in de zin van deze wet is degene, die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn.

2.
Tot den openbaren dienst behooren alle diensten en bedrijven door den Staat en de openbare lichamen beheerd.

3.
Niet is ambtenaar in de zin van deze wet degene, met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten.

4.
Tenzij het tegendeel blijkt, zijn in deze wet onder ambtenaren gewezen ambtenaren begrepen.

Artikel 2
1.
Titel III is niet van toepassing op:


ministers en staatssecretarissen;


de commissarissen van de Koning;


krachtens de Grondwet of de wet voor hun leven benoemde ambtenaren;


de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen;


notarissen en gerechtsdeurwaarders;


de voorzitter, de leden, de plaatsvervangende leden en de buitengewone leden van het College bescherming persoonsgegevens, bedoeld in artikel 51 van de Wet bescherming persoonsgegevens;


de leden van dagelijkse besturen van waterschappen, met uitzondering van de voorzitters;


de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters en de andere leden van de Sociaal-Economische Raad, de voorzitters en de plaatsvervangende voorzitters van de produkt-, de hoofdbedrijf- en de bedrijfschappen en de leden van de besturen van deze lichamen, alsmede degenen die deel uitmaken van organen van lichamen als bedoeld in artikel 110 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;


het personeel in dienst van de Sociaal-Economische Raad, de produkt-, de hoofdbedrijf- en de bedrijfschappen en de lichamen, bedoeld in artikel 110 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;


de leden van de Raden van bestuur en de Raden van advies van de Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank, bedoeld in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;


de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter van het Nederlands Instituut van Registeraccountants, de leden van het bestuur van dit lichaam en de leden van de andere bij of krachtens de Wet op de Registeraccountants ingestelde colleges;


de voorzitter, de ondervoorzitter en de andere leden van het bestuur van de Organisatie ter verbetering van de binnenvisserij;


de voorzitter en de leden van het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in artikel 1a van de Ziekenfondswet en van het College van toezicht op de zorgverzekeringen, bedoeld in artikel 1u van de Ziekenfondswet, en het personeel van bedoelde colleges;


de voorzitter en de leden van het College bouw ziekenhuisvoorzieningen en van het College sanering ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in de Wet ziekenhuisvoorzieningen, en het personeel van de bedoelde colleges;


de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter van de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten, de leden van het bestuur van dit lichaam en de leden van de andere bij of krachtens de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten ingestelde colleges;


de voorzitter en de leden van het College tarieven gezondheidszorg, bedoeld in de Wet tarieven gezondheidszorg, en het personeel van het bedoelde college;


militaire ambtenaren;


onbezoldigde ambtenaren, behorende tot het personeel van de buitenlandse dienst;


de leden van de Commissie gelijke behandeling, bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling;


de leden van een adviescollege als bedoeld in de Kaderwet adviescolleges, niet zijnde een adviescollege als bedoeld in artikel 3 van die wet;


de voorzitter en de andere leden van het bestuur van het Bureau Financieel Toezicht, bedoeld in artikel 110, eerste lid, van de Wet op het notarisambt;


de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, de andere leden van het bestuur van dit lichaam en de leden van het bestuur van de ringen en hun plaatsvervangers;


de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders en de andere leden van het bestuur van dit lichaam;


de voorzitter en de leden van de commissie van toezicht, bedoeld in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002;


wethouders;


de leden van de KNMI-raad, bedoeld in artikel 11 van de Wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut;


de leden en de plaatsvervangende leden van de Raad voor werk en inkomen, bedoeld in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;


het lid van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening, bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet 1996;


de deskundige leden, bedoeld in de artikelen 48, derde lid, 66, tweede lid, 67, derde lid, 69, tweede lid, en 70, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie en hun plaatsvervangers;


gedeputeerden.

2.
De artikelen 125, 125bis, 125a, 125c, 125d, 125f en 126 zijn niet van toepassing op de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in de artikelen 1, onder b, onderdelen 4° tot en met 8°, en 145 van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-1994]