Algemeen Rijksambtenarenreglement

Besluit van 12 juni 1931, tot vaststelling van het Algemeen Rijksambtenarenreglement

Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen

Artikel 1
Ambtenaar in de zin van dit besluit is degene, die door het Rijk is aangesteld om in burgerlijke openbare dienst werkzaam te zijn.

Artikel 2
1. Voor de toepassing van dit besluit worden niet als ambtenaren beschouwd: a. ministers en staatssecretarissen; b. Commissarissen des Konings; c. krachtens Grondwet of wet voor hun leven aangestelde ambtenaren; d. de Nationale ombudsman en substituut-ombudsmannen; e. burgemeesters; f. de voorzitter en de leden van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid; g. de voorzitters van de huurcommissies, bedoeld in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. 2. De hoofdstukken III, IV en V zijn niet van toepassing op ambtenaren met gedeeltelijke dag-, week- of jaartaken, die niet regelmatig dienst doen. Ten aanzien van de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen worden voor hen voor elk betrokken dienstvak de nodige bepalingen vastgesteld. 3. Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld, zijn niet van toepassing: a. hoofdstuk II, paragraaf 4; b. de artikelen 14 en 16 tot en met 20d; c. de hoofdstukken IV en V; d. hoofdstuk VI, paragrafen 2 en 3; e. de artikelen 33fb, 39, 47 en 48a.

Artikel 3
1. De bepalingen van dit besluit vinden slechts toepassing, voor zoover niet bij of krachtens eene wet anders is of wordt bepaald. 2. De bepalingen van dit besluit of sommige daarvan vinden niet toepassing op ambtenaren of groepen van ambtenaren, ten aanzien van wie een algemeene maatregel van bestuur of een uit kracht daarvan gegeven voorschrift, om bijzondere redenen hare toepasselijkheid uitsluit.

Artikel 4
1. In dit besluit wordt verstaan onder: a. Onze Minister: het hoofd van het betrokken ministerie; b. hoofd van dienst: de door Ons of door Onze Minister als zodanig aangewezen autoriteit; c. volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat; d. arbeidsduurfactor: een breuk, waarvan de teller bestaat uit de voor de ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36. 2. Tenzij anders is bepaald wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging, hetgeen daaronder wordt verstaan in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. 3. Ingeval de bezoldiging van de ambtenaar is geregeld krachtens een andere bezoldigingsregeling dan die bedoeld in het tweede lid, wordt voor de toepassing van dit besluit onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging verstaan, het bedrag dat op overeenkomstige wijze is vastgesteld als in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. 4. In dit besluit wordt onder echtgenoot of echtgenote mede verstaan de levenspartner met wie de niet gehuwde ambtenaar samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding alsmede de geregistreerde partner. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede verstaan de achtergebleven levenspartner of de achtergebleven geregistreerde partner. Tegelijkertijd kan slechts een persoon als echtgenoot of echtgenote dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Onder gezinslid wordt in voorkomend geval mede verstaan de geregistreerde partner of de levenspartner.
Onze Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract is gesloten.

5. In dit besluit wordt onder lid van de Algemene Bestuursdienst verstaan: a. de ambtenaar die het ambt van lid van de topmanagementgroep, genoemd in de bijlage A van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, vervult; b. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 17 of 18 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt; c. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 16 of 15 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt en die daartoe door of namens Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is aangewezen.

Hoofdstuk II. Aanstelling en loopbaanvorming

§ 1. De aanstelling

Artikel 4a
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van de werving en selectie van ambtenaren.

Artikel 5
1. De aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst. 2. De aanstelling geschiedt in vaste dienst, tenzij er grond is een aanstelling in tijdelijke dienst te verlenen. 3. Degene die geen Nederlander is, kan slechts worden aangesteld indien hem verblijf is toegestaan op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet en de vergunning tot verblijf het verrichten van arbeid in loondienst niet uitsluit, of indien hem verblijf is toegestaan op grond van artikel 10 van de Vreemdelingenwet. 4. Evenmin vindt aanstelling plaats in een functie waaruit ontslag op grond van artikel 97, tweede of derde lid, kan worden verleend, van personen die onmiddellijk voorafgaande aan de vroegst mogelijke datum van dat ontslag geen ononderbroken diensttijd van ten minste 5 jaar, doorgebracht in een of meer zodanige functies, zouden kunnen aanwijzen. 5. Het in het vorige lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing in geval van plaatsing van een ambtenaar in een functie als in dat lid bedoeld.

Artikel 5a
De aanstelling in vaste dienst geschiedt in algemene dienst van het rijk.

Artikel 6
1. Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt verleend voor: a. een kalenderperiode, of b. een andere objectief bepaalbare periode. 2. Een aanstelling in tijdelijke dienst kan plaatsvinden: a. voor een proeftijd van ten hoogste twee jaar, zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht; b. voor een tijd van ten hoogste drie maanden, indien de betrokkene de verlangde verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 9, zesde lid, nog niet in zijn bezit heeft; c. voor het verrichten van werkzaamheden, waarvoor slechts tijdelijk een beroep op de arbeidsmarkt kan worden gedaan; d. voor een opleiding tot een beroep of verdere theoretische of praktische vorming; e. voor oproepkrachten; f. voor een andere reden. 3. In het geval een aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd is voorafgegaan door een andere aanstelling in tijdelijke dienst krachtens het tweede lid, onder b tot en met f, wordt de maximale duur van de proeftijd verminderd met de duur van die andere aanstelling, indien: a. beide aanstellingen in tijdelijke dienst zijn verleend door Onze Minister; b. de andere aanstelling in tijdelijke dienst is beëindigd binnen een periode van drie maanden direct voorafgaande aan de aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd; en c. het in deze beide aanstellingen in tijdelijke dienst dezelfde werkzaamheden betreft. 4. Vanaf de dag waarop na het verstrijken van de door Onze Minister vastgestelde proeftijd de aanstelling in tijdelijke dienst stilzwijgend wordt voortgezet, geldt dat er een aanstelling in vaste dienst is verleend. 5. De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met f, wordt geacht opnieuw voor dezelfde tijd, maar telkens ten hoogste voor een jaar op dezelfde voorwaarden te zijn verleend in geval van stilzwijgende voortzetting na het verstrijken van de tijd, voor welke zij is verleend. 6. De aanstelling in tijdelijke dienst geldt als een aanstelling in vaste dienst vanaf de dag waarop: a. door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden; b. meer dan drie door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden. 7. Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing, indien de ambtenaar voorafgaande aan een door Onze Minister verleende aanstelling in tijdelijke dienst dan wel tussen twee door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst binnen zijn gezagsbereik op een andere titel dan een aanstelling dezelfde werkzaamheden heeft verricht. 8. Het zesde lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een aanstelling, aangegaan voor niet meer dan drie maanden, die onmiddellijk volgt op een aanstelling van 36 maanden of langer. 9. Voorzover de aanstelling betrekking heeft op een functie bij de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de Raad van State dient in het derde, het vierde, het zesde en het zevende lid voor Onze Minister telkens te worden gelezen: het College van de Algemene Rekenkamer, respectievelijk de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de vice-president van de Raad van State.

Artikel 6a
1. In zeer bijzondere gevallen kan op verzoek van betrokkene een aanstelling in tijdelijke dienst worden verleend waarin ten aanzien van hem dit besluit gedeeltelijk of andere algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet die specifiek betrekking hebben op ambtenaren in de zin van dit besluit, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing worden verklaard. 2. Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid.

Artikel 6b
1. De aanstelling geschiedt voor een vast aantal uren of voor een variabel aantal uren. 2. Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt daarbij een aantal garantie-uren bepaald. 3. Indien het dienstbelang zich in bijzondere gevallen verzet tegen het bepalen van een aantal garantie-uren kan Onze Minister regels stellen waarbij wordt afgeweken van het tweede lid.

Artikel 7
1. Tenzij Wij anders hebben bepaald geschiedt de aanstelling en, voor zover nodig, de vaststelling van de salarisschaal door Ons, indien het betreft: a. een lid van de Algemene Bestuursdienst; b. de ambtenaar die een ambt vervult genoemd in de bijlage A van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, niet zijnde dat van lid van de topmanagementgroep; c. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 16 of 15 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt en die niet is aangewezen tot lid van de Algemene Bestuursdienst. 2. Tenzij Wij anders hebben bepaald geschiedt de in het eerste lid bedoelde aanstelling en vaststelling van de salarisschaal op de voordracht van: a. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indien het betreft een lid van de topmanagementgroep, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a; b. Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indien het betreft een ambtenaar bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder b of c; c. Onze Minister, indien het betreft een ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, onder b of c. 3. In de overige gevallen vindt de aanstelling en vaststelling van de salarisschaal plaats door Onze Minister. 4. De ambtenaar die is aangesteld tot lid van de topmanagementgroep wordt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister voor een periode van maximaal zeven jaar benoemd in een van de volgende functies: • secretaris-generaal • directeur-generaal • inspecteur-generaal • thesaurier-generaal • directeur Bureau voor de Industriële eigendom • directeur van het Centraal Planbureau • hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. 5. In bijzondere gevallen kan de periode van zeven jaar, genoemd in het vierde lid, worden verlengd dan wel voortijdig worden beëindigd. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van de wijze waarop tot verlenging respectievelijk voortijdige beëindiging wordt gekomen, alsmede over de gevolgen voor de rechtspositie van de ambtenaar. 6. Tenzij Wij anders hebben bepaald wordt de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder b of c, voor een periode van in beginsel ten hoogste vijf jaar in een functie benoemd. Deze benoeming duurt voort, zolang na afloop van die periode geen nieuwe functie wordt opgedragen. 7. Voor zover de aanstelling betrekking heeft op een functie bij de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale Ombudsman of de Raad van State, dient in het tweede en derde lid voor Onze Minister telkens te worden gelezen: het College van de Algemene Rekenkamer respectievelijk de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale Ombudsman of de vice-president van de Raad van State.

§ 2. Voorwaarden voor aanstelling

Artikel 8
1. In deze paragraaf wordt verstaan onder “het bevoegd gezag”: het tot aanstelling bevoegd gezag of, indien de aanstelling bij koninklijk besluit geschiedt, Onze Minister. 2. Voor zover de aanstelling bij koninklijk besluit geschiedt en betrekking heeft op een functie bij de Raad van State, de Algemene Rekenkamer of het bureau van de Nationale ombudsman wordt verstaan onder het bevoegd gezag: de vice-president van de Raad van State respectievelijk de Algemene Rekenkamer of de Nationale ombudsman.

Artikel 9
1. Een aanstelling voor de tijd van langer dan drie maanden kan slechts plaatsvinden, indien het bevoegd gezag op grond van de gegevens waarover het beschikt van oordeel is dat de betrokkene in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de desbetreffende functie. 2. Het bevoegd gezag kan voor een bepaalde functie of voor een groep van functies eisen van geschiktheid en bekwaamheid vaststellen waaraan de betrokkene moet voldoen om voor een aanstelling in aanmerking te komen. 3. Teneinde vast te stellen of de betrokkene in voldoende mate geschikt of bekwaam is, wordt deze aan een onderzoek onderworpen, waaronder begrepen het verifiëren en zo nodig aanvullen van de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt. 4. Het onderzoek, bedoeld in het derde lid, omvat tevens: a. een psychologisch onderzoek, indien daaraan naar het oordeel van het bevoegd gezag behoefte bestaat; b. een geneeskundig onderzoek, indien dit op grond van een wettelijk voorschrift verplicht is gesteld dan wel indien op grond van functie-eisen een onderzoek naar de medische geschiktheid van de betrokkene noodzakelijk is. 5. Onze Minister stelt vast voor welke functies een onderzoek naar de medische geschiktheid van de betrokkene noodzakelijk is. 6. Het bevoegd gezag kan, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in het zevende en het achtste lid, van de betrokkene vergen dat deze een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële gegevens overlegt. 7. Indien een functie niet zijnde een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, bijzondere eisen stelt aan de integriteit of de verantwoordelijkheid van degene die deze functie vervult en indien een zwaarwegend algemeen belang dit vordert, kunnen aan het bevoegd gezag justitiële gegevens worden verstrekt voor het verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van een kandidaat voor die functie. Aanstelling in een zodanige functie is slechts mogelijk, indien op grond van het onderzoek tegen de vervulling door betrokkene van de desbetreffende functie geen bezwaar blijkt te bestaan. 8. Aanstelling in een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken is slechts mogelijk, indien ten aanzien van de betrokkene een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van die wet is afgegeven. 9. Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld in het zevende lid. Deze nadere regels dienen in ieder geval waarborgen te bevatten omtrent een voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene. 10. Het geneeskundig onderzoek, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, mag pas plaatsvinden, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegd gezag op grond van het onderzoek, bedoeld in het derde lid, en eventueel na het psychologisch onderzoek, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, overigens voldoende bekwaam en geschikt is voor de desbetreffende functie. Ook een verklaring omtrent het gedrag mag dan pas worden gevraagd. 11. Een antecedentenonderzoek of een veiligheidsonderzoek wordt pas ingesteld als naar het oordeel van het bevoegd gezag de betrokkene bekwaam en geschikt is voor de betreffende functie. 12. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan omtrent het onderzoek, bedoeld in het derde lid, nadere regels vaststellen.

Artikel 9a
Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband dan wel in geval van wijziging van tewerkstelling in een andere niet-vertrouwensfunctie wordt geen verklaring omtrent het gedrag verlangd of, indien het een functie betreft die bijzondere eisen stelt aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de betrokkene, wordt niet verzocht om justitiële gegevens, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag door gewijzigde omstandigheden betreffende de functie of de tewerkstelling een verklaring omtrent het gedrag dan wel een onderzoek, bedoeld in artikel 9, zevende lid, nodig is.

Artikel 9b [Vervallen per 22-08-1997]

Artikel 9c [Vervallen per 22-08-1997]

Artikel 10
1. De kosten van het geneeskundig onderzoek en het hernieuwd geneeskundig onderzoek komen voor rekening van het Rijk. De betrokkene ontvangt een vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van de bepalingen van het Reisbesluit binnenland. 2. De uitslag van het geneeskundig onderzoek wordt uiterlijk binnen twee weken na vaststelling aan de betrokkene medegedeeld. 3. De betrokkene kan binnen twee weken nadat hem de uitslag van het geneeskundig onderzoek is meegedeeld, een hernieuwd geneeskundig onderzoek aanvragen. 4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt omtrent het hernieuwd geneeskundig onderzoek nadere regels vast. Dit hernieuwd geneeskundig onderzoek mag niet worden verricht door de arts die het geneeskundig onderzoek heeft verricht. 5. Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband vindt niet opnieuw een geneeskundig onderzoek plaats, tenzij ten aanzien van de geschiktheid van de betrokkene ernstige twijfel is gerezen. 6. De betrokkene die op grond van artikel 9, vierde lid, onderdeel b, is onderworpen aan een geneeskundig onderzoek, wordt bij aanstelling in een andere functie opnieuw aan een onderzoek naar de medische geschiktheid onderworpen indien betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde functie.

Artikel 11
1. Aan de betrokkene die is onderworpen aan een psychologisch onderzoek als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel a, wordt op zijn verzoek binnen twee weken na de vaststelling van de uitslag van het onderzoek inzage verleend in die uitslag. Dit vindt plaats in het kader van een nagesprek met de psycholoog die het onderzoek heeft verricht. 2. Mededeling van de uitslag van het onderzoek aan het bevoegd gezag blijft achterwege, indien de betrokkene uiterlijk een week nadat hij van de uitslag van het onderzoek heeft kennis genomen zijn wens daartoe schriftelijk heeft meegedeeld aan degene die met het onderzoek is belast. 3. De uitslag van het onderzoek wordt niet eerder dan twee weken nadat betrokkene van de uitslag van het onderzoek heeft kennis genomen, medegedeeld aan het tot aanstelling bevoegd gezag, tenzij die mededeling op een eerder tijdstip is geboden en de betrokkene met die eerdere mededeling schriftelijk heeft ingestemd. 4. Voor zover dit niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid heeft de betrokkene recht op een nagesprek met de psycholoog die het onderzoek heeft verricht. 5. De betrokkene kan na afloop van het in het eerste en vierde lid bedoelde nagesprek afschrift nemen van de uitslag of daarvan een fotocopie krijgen overeenkomstig het bij en krachtens artikel 12 van de Wet openbaarheid van bestuur bepaalde. 6. De kosten van het onderzoek en van het nagesprek komen voor rekening van het Rijk. De betrokkene ontvangt voor ten behoeve van het onderzoek gemaakte reis- en verblijfkosten een vergoeding op de voet van de bepalingen van het Reisbesluit binnenland. 7. Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op vergelijkende vooronderzoeken in de door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te bepalen gevallen.

§ 3. De akte van aanstelling en andere bescheiden

Artikel 12
1. Aan de ambtenaar wordt, zo mogelijk vóór de aanvaarding van zijn ambt, een akte van aanstelling uitgereikt, waarin in ieder geval worden vermeld: a. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de ambtenaar; b. de naam van het ministerie, de dienst, het bedrijf of de instelling, waarbij hij werkzaam zal zijn, al dan niet als lid van de Algemene Bestuursdienst; c. de datum, met ingang waarvan hij wordt aangesteld; d. of de aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst. 2. Indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, wordt bovendien in de akte van aanstelling vermeld: a. de duur van de aanstelling in tijdelijke dienst; b. de toepasselijke, in artikel 6, tweede lid, omschreven grond(en) voor de aanstelling in tijdelijke dienst; c. de specifieke reden, indien sprake is van een aanstelling op grond van artikel 6, tweede lid, onder f. 3. Indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst met toepassing van artikel 6a, eerste lid, wordt bovendien in de akte van aanstelling vermeld welke van de in dat artikellid bedoelde regelingen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing zijn verklaard. 4. Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt in de akte van aanstelling in voorkomende gevallen bovendien het op grond van artikel 6b, tweede lid, voor de ambtenaar geldende aantal garantie-uren vermeld.

Artikel 12a
Voor zover deze gegevens op hem betrekking hebben en niet reeds in de akte van aanstelling zijn vermeld, worden aan de ambtenaar zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld:

a. het ministerie, de afdeling of het dienstvak waarbij, de betrekking waarin, en de periode gedurende welke hij in die betrekking wordt te werk gesteld, zomede de hem dienovereenkomstig aangewezen standplaats; b. de salarisschaal en de voor de bepaling van die schaal in acht genomen regels; c. het salaris dat hem is toegekend, zomede, het salarisnummer en het tijdstip waarop het salaris voor de eerste maal periodiek zal worden verhoogd; d. andere hem mogelijk toegekende voordelen, onder verwijzing naar de desbetreffende kortingsregeling.

Artikel 12b [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 12c
1. De ambtenaar wordt bij zijn aanstelling schriftelijk op de hoogte gesteld van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie. 2. Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd worden op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Van deze regelingen kan hij kosteloos afschriften maken voor zover dat redelijkerwijs nodig is. 3. De schriftelijk vastgestelde en voor hem geldende regelingen en instructies, welke hij bij de vervulling van zijn dienst heeft na te leven, worden eveneens op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. In het geval vermelde regelingen en instructies niet schriftelijk zijn vastgesteld, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. 4. Over belangrijke wijzigingen in regelingen betreffende zijn rechtspositie wordt de ambtenaar periodiek op de hoogte gesteld.

Artikel 12d [Vervallen per 01-01-1994]

§ 4. Loopbaanvorming

Artikel 13
1. Wij behouden Ons voor op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen overleg pleegt met Onze betrokken Minister, regels vast te stellen omtrent loopbaanvorming in het algemeen en omtrent daarmede verband houdende bijzondere regelingen ter bepaling van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal. 2. Voor zover dit niet door Ons is geschied, kunnen deze regels en bijzondere regelingen ook worden vastgesteld door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dan wel, passend in het door deze gecoördineerde beleid, door Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur.

Hoofdstuk III. Bezoldiging

Artikel 14
De ambtenaar ontvangt over den tijd, gedurende welken hij in strijd met zijne verplichtingen opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten, geen bezoldiging.

Artikel 15
De beloning van de ambtenaar, die is aangesteld voor enkele diensten, niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, wordt bepaald op een voor elk geval of voor elke te verrichten dienst, afzonderlijk vast te stellen bedrag.

Artikel 16
1. Aan de ambtenaar die in verband met de werkzaamheden die voortvloeien uit een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen, tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt wordt gedurende zijn ontheffing een non-activiteitswedde toegekend. De non-activiteitswedde is het bedrag waarmee de laatstelijkdoor hem in zijn ambt genoten bezoldiging het bedrag van de inkomsten die de ambtenaar in verband met zijn werkzaamheden in dat publiekrechtelijk college geniet, overschrijdt. 2. Voor de toepassing van het eerste lid geldt voorts dat: a. toekenning van de non-activiteitswedde plaatsvindt op de voet van het bepaalde in de artikelen 4, tweede, derde, vierde en vijfde lid, en 5 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement; b. onder inkomsten die in verband met zijn werkzaamheden in dat publiekrechtelijk college worden genoten wordt verstaan: alle inkomsten die aan die werkzaamheden zijn verbonden. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de functie van substituut-ombudsman met de in het eerste lid bedoelde functie gelijkgesteld. 4. Dit artikel is niet van toepassing op degenen die een non-activiteitswedde geniet uit hoofde van artikel 4, eerste lid, van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement.

Artikel 17
1. De ambtenaar, die als militair in werkelijke dienst is, wordt geacht in zijn burgerlijke betrekking met verlof te zijn. 2. Hij behoudt over de tijd van deze dienst het genot van de aan zijn ambt verbonden bezoldiging, slechts voor zover hem bij of krachtens de artikelen 18 tot en met 20 daarop aanspraak is verleend. Voor zover die werkelijke dienst wordt vervuld in aan hem verleend vacantieverlof, behoudt hij in ieder geval het genot van de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging. 3. Voor de toepassing van het vorige lid en de artikelen 18 tot en met 20 en 20d wordt – ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 – dit bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge de voor hem geldende werktijdregeling zou zijn toegekend, indien hij niet aan zijn burgerlijke betrekking zou zijn onttrokken.
Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt dit, met inachtneming van de percentages en het berekeningsmaximum zoals genoemd in artikel 17 van vorengenoemd besluit, berekend over het voor de ambtenaar geldende salaris, zulks naar de aantallen uren als bedoeld in dat artikel waarop door hem gedurende de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan hij aan zijn burgerlijke betrekking werd onttrokken, ingevolge de voor hem geldende werktijdregeling gemiddeld per maand is gewerkt.

4. Voor de toepassing van het tweede lid en de artikelen 18 tot en met 20 en 20d wordt – ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 – dit bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge het voor hem geldende consignatierooster zou zijn toegekend, indien hij niet aan zijn burgerlijke betrekking zou zijn onttrokken. Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt dit bedrag berekend naar de berekeningsgrondslag en de percentages zoals genoemd in artikel 18a van vorengenoemd besluit, zulks naar de aantallen uren als bedoeld in dat artikel waarop door hem gedurende de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan hij aan zijn burgerlijke betrekking werd onttrokken, gemiddeld per maand consignatiediensten zijn verricht. 5. Voor zover de ambtenaar ingevolge de voor hem geldende bezoldigingsregeling aanspraak heeft op een vakantie-uitkering geniet hij deze uitkering slechts voor zoveel die uitgaat boven de vakantie-uitkering waarop hij als militair aanspraak heeft.

Artikel 18
1. De ambtenaar, die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet onverminderd het bepaalde in artikel 92 de aan zijn ambt verbonden bezoldiging voor zoveel deze meer bedraagt dan zijn militaire beloning, met dien verstande, dat indien de ambtenaar ongehuwd is, hij slechts de aan zijn ambt verbonden bezoldiging geniet, voor zoveel 70 ten honderd daarvan meer bedraagt dan zijn militaire beloning. 2. Zonodig in afwijking van het bepaalde in het eerste lid blijft de ambtenaar als daar bedoeld in ieder geval de aan zijn ambt verbonden bezoldiging genieten tot een bedrag, dat gelijk is aan het bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP. 3. Ongehuwde enige kostwinners worden voor de toepassing van het eerste lid gelijk gesteld met gehuwden. Onze Minister, Hoofd van het betrokken departement van algemeen bestuur, beslist of een ongehuwde als enig kostwinner wordt beschouwd. 4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de militaire beloning verminderd met een eventuele aftrek wegens genot van voeding en huisvesting. 5. Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiën stellen bij gemeenschappelijke ministeriële regeling vast hetgeen voor de toepassing van dit artikel onder militaire beloning wordt verstaan.

Artikel 19
1. Het bepaalde in artikel 18 is eerst van toepassing, nadat de ambtenaar als militair de opleiding en oefening heeft volbracht. 2. De ambtenaar, die ingevolge een wettelijke verplichting voor opleiding en oefening als militair in werkelijke dienst is, geniet gedurende deze opleiding en oefening, de aan zijn ambt verbonden bezoldiging tot een bedrag, hetwelk gelijk is aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van ambtenaren op wie bij koninklijk besluit de artikelen 17 en 18 van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. 4. Indien de ambtenaar bij opkomst in militaire dienst voldoet aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, dan wel indien ingevolge het derde lid bij opkomst in militaire dienst deze voorwaarde niet voor hem geldt, geniet hij in afwijking van het bepaalde in artikel 18 gedurende twee weken na zijn opkomst de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging.

Artikel 20
1. De ambtenaar die voor een herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet de aan zijn ambt verbonden bezoldiging voor zoveel deze meer bedraagt dan zijn militaire beloning. Artikel 18, tweede, vierde en vijfde lid, is van toepassing. 2. Voor zoveel nodig bepaalt Onze Minister van Defensie welke dienst als herhalingsoefening wordt beschouwd. 3. Voor de toepassing of voortgezette toepassing van het eerste lid worden met inachtneming van hetgeen daaromtrent is bepaald in de Kaderwet dienstplicht of in de Wet voor het reservepersoneel der krijgsmacht en onverminderd het bepaalde in artikel 92 van dit reglement met herhalingsoefeningen gelijk gesteld: a. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven voor een onderzoek omtrent een strafbaar feit of een krijgstuchtelijk vergrijp, waarvan de militair verdacht of beklaagd wordt; b. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven ten einde rekening en verantwoording af te leggen van gevoerd beheer; c. het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven wegens: 1. ziekte; 2. het niet tijdig bereiken van de vereiste graad van geoefendheid als gevolg van ziekte; 3. het heersen of geheerst hebben van een besmettelijke ziekte; d. het in dienst komen om gehoord te worden omtrent een bij Ons of bij Onze Minister van Defensie ingediend beroepschrift onderscheidenlijk bezwaarschrift.

Artikel 20a
Indien de ambtenaar, als militair in werkelijke dienst zijnde, overlijdt, wordt de uitkering, bedoeld in artikel 102, verminderd met het bedrag van de overeenkomstige uitkering, welke uit hoofde van de militaire dienst ter zake van dit overlijden wordt gedaan.

Artikel 20b
1. Het bepaalde in de artikelen 17 tot en met 20a is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van: a. de ambtenaar, die is tewerkgesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst; b. de ambtenaar, die in werkelijke dienst is op grond van een verbintenis bij het Korps Nationale Reserve; c. de ambtenaar, die als militair in werkelijke dienst is op grond van een verbintenis bij het reserve-personeel der krijgsmacht; d. de ambtenaar, die op grond van een andere bijzondere verbintenis in werkelijke militaire of daarmede gelijk te stellen dienst is, ter zake waarvan Wij zulks hebben bepaald. 2. Wij behouden Ons voor met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid nadere regels te stellen.

Artikel 20c
Op de ambtenaar, die in tijdelijke dienst is aangesteld, zijn de bepalingen, vervat in de artikelen 17 tot en met 20b, slechts van toepassing tot en met de dag, waarop de burgerlijke betrekking zou zijn beëindigd, indien hij daaraan niet door de militaire dienst zou zijn onttrokken.

Artikel 20d
1. De ambtenaar, die op grond van een verbintenis als vrijwilliger in de zin van artikel 2, eerste lid onder a of b, van de Rechtstoestandsregeling reservepolitie of van een overeenkomstige verbintenis, als bedoeld in de artikelen 53 en 54 van die regeling in werkelijke dienst is, wordt geacht met verlof te zijn. 2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaar blijft gedurende het aldaar bedoelde verlof, onverminderd het bepaalde in artikel 92, in het genot van de aan zijn ambt verbonden bezoldiging, met dien verstande, dat deze bezoldiging, indien het verlof langer dan twee weken duurt, voor de verdere duur van het verlof wordt verminderd met de beloning, waarop de ambtenaar als vrijwilliger aanspraak heeft. 3. De in het tweede lid bedoelde vermindering wordt slechts toegepast tot een zodanig bedrag, dat de ambtenaar in het genot blijft van een bedrag gelijk aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP. 4. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is niet van toepassing indien de ambtenaar de werkelijke dienst als vrijwilliger vervult tijdens aan hem verleend vakantieverlof. 5. Het bepaalde in artikel 20c is voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk IV. Dienst- en werktijden

Artikel 21
1. Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk en van het bepaalde in of krachtens wetten, houdende regels tot beperking van de werktijd, stelt het bevoegd gezag voor de ambtenaren werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een van tevoren bekend gemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werktijden gedurende een bepaalde periode. Het in de werktijdregeling opgenomen aantal te werken uren op jaarbasis kan niet hoger zijn dan gemiddeld 40 uur per week. 2. De arbeidsduur bedraagt gemiddeld ten hoogste 36 uur per week. De werktijd wordt behoorlijk door rusttijd onderbroken. De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om de arbeidsduur in hele uren vast te stellen op meer dan gemiddeld 36 uur per week, waarbij een maximum geldt van gemiddeld 40 uur per week. Deze aanvraag wordt toegewezen tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
Een aanvraag tot het vaststellen van de arbeidsduur op meer dan gemiddeld 36 uur per week wordt niet toegewezen voor:

a. de ambtenaar wiens gemiddelde wekelijkse werktijd op basis van artikel 21a is teruggebracht; b. de ambtenaar die op basis van artikel 33g betaald ouderschapsverlof geniet; c. de ambtenaar die op basis van artikel 34 buitengewoon verlof van lange duur geniet; d. de ambtenaar aan wie op basis van artikel 94a, derde lid, gedeeltelijk ontslag is verleend; e. de arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2 van de Wet op de (re)ïntegratie arbeidsgehandicapten, waarbij een verminderde arbeidsprestatie is vastgesteld. 3. Het aantal te werken uren per jaar bedraagt: het aantal kalenderdagen per jaar verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen, genoemd in het zevende lid, onder a, in dat jaar, vermenigvuldigd met 7,2 en vervolgens vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. 4. Het aantal te werken uren, bedoeld in het derde lid, wordt rekenkundig op hele uren afgerond. 5. Aan de ambtenaar van 55 jaar en ouder wordt niet opgedragen dienst te verrichten tussen 22.00 uur en 06.00 uur tenzij het een gedeelte van een dienst betreft die doorloopt na 22.00 uur en ten laatste eindigt om 24.00 uur. 6. Van het bepaalde in het vorige lid kan voor de duur van telkens ten hoogste één jaar worden afgeweken indien de ambtenaar dit heeft aangevraagd danwel zeer gewichtige redenen van dienstbelang hiertoe noodzaken, mits de deskundige persoon of de arbodienst als bedoeld in hoofdstuk VI, daaromtrent een positief medisch advies heeft uitgebracht. 7. a. Geen dienst wordt geëist op zondagen, alsmede op de Nieuwjaarsdag, de Tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de Tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag, waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd en op 5 mei. b. Van onderdeel a van dit artikellid kan slechts worden afgeweken indien het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt en met inachtneming van het navolgende: 1. geen dienst wordt geëist op ten minste dertien zondagen per periode van zes maanden; 2. de ambtenaar wordt zo weinig mogelijk in zijn zondagsrust beperkt en hem wordt zoveel mogelijk de gelegenheid geboden op zondag en op de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk te bezoeken. c. De onderdelen a en b vinden ten aanzien van de zondag voor de ambtenaar die aan het hoofd van dienst heeft medegedeeld dat hij, in verband met zijn godsdienstige opvattingen, de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag viert, overeenkomstige toepassing voor die dag in plaats van ten aanzien van de zondag. d. Op zaterdag kan dienst worden geëist, mits de belangen van de dienst daartoe aanleiding geven. 8. a. De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, hetzij ten minste 60 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24 uren welke rusttijd éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 32 uren. b. De ambtenaar van 16 of 17 jaar heeft een onafgebroken rusttijd van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren. 9. Van de voor de ambtenaar vastgestelde werktijdregeling kan slechts worden afgeweken indien het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt en – behoudens in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden – mits ervoor wordt gezorgd, dat de ambtenaar in of over het desbetreffende tijdvak van zeven dagen een ononderbroken rusttijd van ten minste 36 uren geniet. 10. In bijzondere gevallen kan van de vaststelling van een werktijdregeling als bedoeld in het eerste lid worden afgezien. In die gevallen vindt in het tweede tot en met negende lid overeenkomstige toepassing. 11. In overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan in uitzonderlijke gevallen van het bepaalde in het tweede tot en met negende lid, alsmede van het bepaalde in de tweede volzin van het tiende lid, worden afgeweken voorzover dat niet in strijd is met het bepaalde bij of krachtens de Arbeidstijdenwet. 12. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd ter zake van de uitvoering van het bepaalde in dit artikel nadere regels vast te stellen.

Artikel 21a
1.
De gemiddelde wekelijkse werktijd van een ambtenaar van 57 jaar en ouder die daartoe een aanvraag heeft ingediend, wordt, met behoud van zijn arbeidsduur, teruggebracht met 15,8%, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. De ambtenaar voor wie de arbeidsduur op meer dan gemiddeld 36 uur is vastgesteld, kan een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin eerst indienen nadat op zijn aanvraag door het bevoegd gezag zijn arbeidsduur is vastgesteld op ten hoogste gemiddeld 36 uur.

2.
De in het eerste lid bedoelde ambtenaar dient op het moment van de vermindering van de werktijd tenminste 5 aaneengesloten jaren in dienst te zijn van het rijk.

3.
Voor de uren die het wekelijkse verschil vormen tussen de in het eerste lid bedoelde arbeidsduur en de teruggebrachte werktijd wordt de ambtenaar geacht met verlof te zijn.

4.
Op het salaris van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar wordt een inhouding toegepast. De hoogte van deze inhouding is afhankelijk van de leeftijd op de datum dat de werktijdvermindering op grond van dit artikel ingaat en bedraagt een percentage volgens onderstaande tabel van het salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond van dit artikel, nadat dit salaris is verminderd met een eventuele inhouding als bedoeld in artikel 57b:

Leeftijd

Inhouding in procenten

57

5

58

5

59

3,5

60

3,5

61

2

62

2

63

1

64

1

5.
De inhouding, bedoeld in het vierde lid, wordt teruggebracht tot 70% voor zover op grond van artikel 37, eerste lid, niet meer dan 70% van de bezoldiging wordt doorbetaald.

6.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt omtrent de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar regels vast.

Artikel 21b
De ambtenaar heeft het recht om, op zijn verzoek, in deeltijd te gaan werken, tenzij hieruit bezwaren voor de dienst voortvloeien.

Artikel 21c
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket.

Artikel 21d [Vervallen per 01-01-2004]

Artikel 21e [Vervallen per 01-01-2004]

Artikel 21f [Vervallen per 01-01-2004]

Artikel 21g [Vervallen per 01-01-2004]

Artikel 21h [Vervallen per 01-01-2004]

Artikel 21i [Vervallen per 01-01-2004]

Hoofdstuk V. Vakantie en verlof

§ 1. Vakantie

Artikel 22. De aanspraak op vakantie
1.
De ambtenaar heeft jaarlijks aanspraak op vakantie met behoud van zijn volle bezoldiging.

2.
De aanspraak op vakantie wordt uitgedrukt in hele uren.

3.
De omvang van de aanspraak op vakantie is afhankelijk van:

a.
de leeftijd van de ambtenaar;

b.
de werktijd van de ambtenaar.

4.
Voor de ambtenaar met volledige werktijd bedraagt de aanspraak op vakantie 165,6 uren per kalenderjaar. Onder volledige werktijd wordt verstaan een werktijd welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat.

5.
De op grond van het vierde lid geldende aanspraak op vakantie wordt verhoogd volgens onderstaande tabel afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt:

leeftijd:

verhoging:

van 45 tot en met 49 jaar

7,2 uren

van 50 tot en met 54 jaar

14,4 uren

van 55 tot en met 59 jaar

21,6 uren

vanaf 60 jaar

28,8 uren.

6.
De ingevolge het vierde en vijfde lid geldende aanspraak op vakantie wordt vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren plaats.

7.
Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie vastgesteld naar evenredigheid van de dienst, die hij in dat jaar verricht heeft of zal verrichten.

8.
Indien de werktijd van de ambtenaar wordt gewijzigd, wordt de aanspraak op vakantie over een eventueel resterend gedeelte van het desbetreffende kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe werktijd. De tot aan de datum van ingang van de wijziging van de werktijd verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd gehandhaafd.

9.
Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van de voor hem geldende werktijdregeling in het geheel geen dienst verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantie. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van de voor hem geldende werktijdregeling gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij aanspraak op vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij volgens de werktijdregeling dienst verricht.

10.
Lid 9 is niet van toepassing, indien geheel of gedeeltelijk geen dienst wordt verricht wegens:

a.
genoten vakantie;

b.
ziekte, voor zover de verhindering tot dienstverrichting korter duurt dan 26 weken, waarbij een hervatting van de dienstverrichting gedurende vier weken of minder geen nieuwe periode van 26 weken inluidt.

c.
zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 33fb, derde en vierde lid;

d.
verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen;

e.
verlof verleend op basis van artikel 32a, 33, 33b, 33c, 33d, 33h of 33i van dit besluit;

f.
het minder uren werken op basis van de in artikel 21c van dit besluit bedoelde regels.

11.
In afwijking van het tiende lid, onder b, heeft de ambtenaar gedurende de periode dat artikel 40a, eerste lid, onderdeel i, q of r, toepassing vindt, geen aanspraak op vakantie.

12.
Met ingang van de dag dat de ambtenaar op grond van artikel 21a gedeeltelijk geen dienst verricht vervalt de in het vijfde lid bedoelde verhoging van de vakantieaanspraak.

13.
Indien het belang van de dienst zich daartegen niet verzet, kan het bevoegd gezag op aanvraag van de ambtenaar eenmaal per kalenderjaar zijn aanspraak op vakantie verlagen. Het aantal uren vakantie waarmee de aanspraak kan worden verlaagd, bedraagt ten hoogste het aantal uren vakantie waarop de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft, verminderd met: 144 uur vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven plaats.

14.
Het bevoegd gezag stelt vast voor welke datum aanvragen als bedoeld in het dertiende lid kunnen worden ingediend en geeft op of na die datum gelijktijdig beschikkingen op de voor die datum ingediende aanvragen.

15.
De ambtenaar wordt voor elk uur vakantie waarmee zijn aanspraak op vakantie overeenkomstig het dertiende lid wordt verlaagd, een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat hij geniet op de door het bevoegd gezag krachtens het veertiende lid vastgestelde datum.

16.
Indien de ambtenaar de vergoeding, genoemd in het veertiende lid, volledig inzet ten behoeve van verlofsparen, bedoeld in artikel 34g, bedraagt, in afwijking van het twaalfde lid, het aantal uren waarmee de aanspraak op vakantie kan worden verlaagd ten hoogste het aantal uren waarop de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft, verminderd met: 108 uur vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren plaats.

Artikel 23. Het opnemen van vakantie
1. De ambtenaar is vrij te bepalen wanneer hij vakantie opneemt, voor zoveel de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten. 2. De ambtenaar dient in elk kalenderjaar ten minste 108 uur vakantie op te nemen waarvan ten minste 72 uur over een aaneengesloten periode indien voor hem een volledige werktijd geldt en tot in evenredigheid lagere getallen indien voor hem een onvolledige werktijd geldt. 3. Het bevoegde gezag kan toestaan, dat een ambtenaar in enig kalenderjaar meer uren vakantie opneemt dan zijn aanspraak tot en met het lopende jaar bedraagt, met dien verstande, dat de opgenomen vakantie de aanspraak tot en met het lopende jaar nimmer met meer dan 57,6 uren mag overschrijden. Voor de ambtenaar met onvolledige werktijd wordt het in de vorige volzin bedoelde aantal uren van de maximaal toegestane overschrijding verminderd naar evenredigheid van de werktijd. De in een kalenderjaar teveel genoten vakantie wordt in mindering gebracht op de aanspraak op vakantie over het eerstvolgende jaar. 4. De ambtenaar meldt het voornemen vakantie op te nemen ruimschoots van tevoren. 5. Tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten, is het de ambtenaar toegestaan op het voornemen vakantie op te nemen, terug te komen, dan wel het opnemen niet voort te zetten. De vorige volzin geldt in geval van ziekte of ongeval alleen indien de ambtenaar ten genoege van het bevoegd gezag die ziekte of dat ongeval aantoont. 6. Wanneer dringende redenen van dienstbelang dat noodzakelijk maken, kan het bevoegde gezag aan de ambtenaar verleende toestemming vakantie op te nemen intrekken, zowel vóór als tijdens de vakantie. Indien de ambtenaar ten gevolge van het intrekken van de toestemming vakantie op te nemen geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed. 7. Niet-opgenomen vakantie, waaronder eventuele van vorige jaren overgeboekte vakantie, wordt naar het volgende kalenderjaar overgeboekt tot een maximum van de aanspraak van de ambtenaar over een vol kalenderjaar berekend volgens artikel 22, verminderd met de in het tweede lid van dit artikel bedoelde vakantie. 8. Het bevoegd gezag kan toestaan dat in individuele gevallen in een bepaald jaar wordt afgeweken van de overeenkomstig het zevende lid maximaal naar een volgend kalenderjaar over te boeken vakantie-aanspraken.

Artikel 24. Ontslag en vakantie
1. Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft opgenomen een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantie over een vol kalenderjaar, uitgaande van het salaris en de werktijd zoals die direct voorafgaand aan het ontslag voor de ambtenaar golden en de leeftijd welke hij bereikt in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking wordt beëindigd. 2. Indien op de dag van zijn ontslag blijkt, dat de ambtenaar teveel vakantie heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie een bedrag verschuldigd ten bedrage van het salaris per uur. 3. In geval van overgang zonder onderbreking naar een andere functie binnen de rijksdienst in de loop van een kalenderjaar kan de ambtenaar er – in zoverre in afwijking van lid 1 – voor kiezen de vakantieaanspraken van het lopende kalenderjaar die niet genoten zijn, te behouden. Daarbij wordt vakantie die in het lopende kalenderjaar genoten is in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.

Artikel 25. Overige bepalingen
Ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17 dan wel artikel 18a van het BBRA 1984 is – met betrekking tot de vaststelling van dat bezoldigingsdeel tijdens vakantie – van artikel 17 lid 3, respectievelijk lid 4, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 25a [Vervallen per 11-07-1991]

Artikel 26
Onze Minister is bevoegd nadere en zonodig afwijkende regels vast te stellen.

Artikel 27 [Vervallen per 11-07-1991]

Artikel 28 [Vervallen per 11-07-1991]

Artikel 29 [Vervallen per 11-07-1991]

Artikel 30 [Vervallen per 11-07-1991]

Artikel 30a [Vervallen per 11-07-1991]

Artikel 30b [Vervallen per 11-07-1991]

Artikel 30c [Vervallen per 11-07-1991]

Artikel 30d [Vervallen per 11-07-1991]

Artikel 30e [Vervallen per 11-07-1991]

Artikel 31 [Vervallen per 01-01-1984]

§ 2. Verlof

Artikel 32. Verlof bij militaire- en soortgelijke dienst alsmede in geval van ziekte
Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken III en VI, geniet verlof:

a. de ambtenaar, die als militair dan wel op grond van een verbintenis als vrijwilliger in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a of b van de Rechtstoestandregeling reservepolitie of van een overeenkomstige verbintenis, als bedoeld in de artikelen 53 en 54 van die regeling in werkelijke dienst is; b. de ambtenaar, die zich bevindt in een der omstandigheden, genoemd in artikel 20b; c. de ambtenaar, die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is dienst te verrichten.

Artikel 32a. Verlof bij sluiting van de Rijksdienst op daartoe aangewezen dagen
1. Indien de Rijksdienst op een daartoe aangewezen kerkelijke of nationale, landelijk, regionaal of plaatselijk erkende feest- of gedenkdag is gesloten, geniet de desbetreffende ambtenaar verlof voor zoveel het dienstbelang niet anders vereist. 2. Het vorige lid vindt geen toepassing, indien de sluiting van de Rijksdienst regionaal of plaatselijk plaats vindt en de ambtenaar elders werkzaam is.

Artikel 32b
1. Onverminderd artikel 76 wordt aan de ambtenaar in de gevallen en onder de voorwaarden genoemd in de volgende artikelen van deze paragraaf buitengewoon verlof verleend. 2. Onder zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 4:1 van de Wet arbeid en zorg worden in ieder geval begrepen de omstandigheden genoemd in de artikelen 33c, 33d en 33fa.

Buitengewoon verlof van korte duur

Artikel 33. Kiesrecht en wettelijke verplichting
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:

a. voor de uitoefening van kiesrecht; b. voor het voldoen aan een wettelijke verplichting, een en ander, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is.

Artikel 33a. Vergaderingen van en werkzaamheden voor publiekrechtelijke colleges
1. Indien de ambtenaar een vaste vergoeding ontvangt uit de functie waarvoor hem het in artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet bedoelde verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding toegepast over de tijd dat hij het verlof geniet. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vaste vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd in de bedoelde functie niet te boven. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan nadere regels ter uitvoering van het eerste lid vaststellen.

Artikel 33b. Vergaderingen van statutaire organen van ambtenarenorganisaties, kaderactiviteiten, cursussen en commissies van georganiseerd overleg in ambtenarenzaken
1. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt jaarlijks ten hoogste 120 uren buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van verenigingen van ambtenaren, van centrale organisaties, waarbij deze verenigingen zijn aangesloten of van internationale ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar hieraan deelneemt: a. voor zover betreft vergaderingen van verenigingen van ambtenaren als bestuurslid van die vereniging dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een onderdeel daarvan; b. voor zover betreft vergaderingen van centrale organisaties, waarbij verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten, als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren; c. voor zover betreft vergaderingen van een internationale ambtenarenorganisatie als bestuurslid van deze organisatie dan wel als afgevaardigde of besuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren. 2. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt tot ten hoogste 208 uren per jaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar, die door een centrale als bedoeld in artikel 105 of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten verenigingen te ondersteunen. 3. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar voor het – op uitnodiging van een organisatie van ambtenaren – als cursist deelnemen aan een cursus, met dien verstande dat dit verlof ten hoogste 48 uren per twee jaren bedraagt. 4. Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid alsmede op grond van artikel 18 van de Wet op de ondernemingsraden aan een ambtenaar mag worden verleend, bedraagt te zamen ten hoogste 240 uren per jaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 uren worden verleend a. aan leden van de hoofdbesturen van de centrale organisaties, genoemd in artikel 105, tweede lid onder a en b, en van organisaties, die rechtstreeks bij die centrale organisaties zijn aangesloten; b. aan leden van het hoofdbestuur van het Ambtenarencentrum en aan leden van het dagelijks bestuur van de bij die organisatie aangesloten centrales; c. aan leden van het hoofdbestuur van de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen, alsmede aan de bestuursleden van de sectoren en secties van die organisatie. 5. Het verlof bedoeld in de vorige leden, wordt slechts verleend aan ambtenaren, die lid zijn van verenigingen van ambtenaren, welke zijn aangesloten bij centrales van verenigingen van ambtenaren, die deel uitmaken van de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel. 6. Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van georganiseerd overleg, in ambtenarenzaken. Dit geldt eveneens voor één voorvergadering per in de vorige volzin bedoelde vergadering.

Artikel 33c. Verhuizing
1. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend: a. voor het zoeken van een woning in geval van overplaatsing: ten hoogste twee dagen; b. bij verhuizing ingeval van overplaatsing: aan hen, die een eigen huishouding hebben: twee dagen, zo nodig te verlengen tot drie en in zeer bijzondere gevallen tot vier dagen en aan hen, die niet een eigen huishouding hebben: ten hoogste twee dagen; c. bij verhuizing anders dan in geval van overplaatsing: aan hen, die een eigen huishouding hebben, eenmaal in een kalenderjaar en ten hoogste twee dagen. 2. Onze Minister kan regels stellen in aanvulling op of in afwijking van het eerste lid.

Artikel 33d. Familie-omstandigheden
1. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend: a. bij zijn ondertrouw; één dag; b. bij zijn huwelijk: vier dagen; c. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en de tweede graad: één dag indien dit huwelijk wordt gesloten in zijn woon- of standplaats en ten hoogste twee dagen, indien dit huwelijk wordt gesloten buiten zijn woon- of standplaats; d. bij overlijden van: 1°. in artikel 33i, tweede lid, genoemde personen: vier dagen; 2°. bloed- of aanverwanten in de tweede graad: twee dagen; 3°. bloed- of aanverwanten in de derde of vierde graad: ten hoogste één dag;
indien de ambtenaar is belast met de regeling van de lijkbezorging of van de nalatenschap dan wel van beide: ten hoogste vier dagen;

e. bij bevalling van zijn echtgenote: ten hoogste twee dagen; f. bij zijn 25-, 40-, en 50-jarig ambts- of huwelijksjubileum en bij 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksjubileum van ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders of grootouders: één dag. 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huwelijk mede begrepen het sluiten van een samenlevingscontract als bedoeld in artikel 4, vierde lid, of het aangaan van een geregistreerd partnerschap. 3. Buitengewoon verlof dat aan de ambtenaar op grond van het eerste lid wordt verleend in verband met aanverwantschap die door zijn huwelijk is ontstaan met bloedverwanten van zijn echtgenote wordt op gelijke wijze verleend aan de ambtenaar die ongehuwd samenwoont als bedoeld in artikel 4, vierde lid, of aan de ambtenaar die een geregistreerd partnerschap is aangegaan, met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn levenspartner of van zijn geregistreerde partner. 4. Onze Minister kan regels stellen in aanvulling op of in afwijking van de vorige leden.

Artikel 33e. Aanvullende bevoegdheid tot het verlenen van buitengewoon verlof
1. Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van volle bezoldiging, kan bovendien worden verleend in de gevallen, waarin hij, die tot verlenen van dat verlof bevoegd is verklaard, oordeelt, dat daartoe aanleiding bestaat. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd ter uitvoering van het eerste lid zo nodig nadere regels vast te stellen.

Artikel 33f. Aanvragen van buitengewoon verlof
1. Behoudens in dringende gevallen moet buitengewoon verlof van korte duur tenminste 24 uren tevoren schriftelijk of mondeling worden aangevraagd. 2. Indien de ambtenaar, die niet vooraf een aanvraag voor buitengewoon verlof van korte duur heeft ingediend, ten genoegen van de in het eerste lid bedoelde autoriteit aantoont, dat hij daartoe geen gelegenheid heeft gehad, terwijl er voor zijn afwezigheid gegronde redenen bestonden, wordt deze afwezigheid beschouwd als buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging. 3. Een gegronde reden als bedoeld in het tweede lid is slechts aanwezig: a. indien een der in de voorgaande artikelen genoemde omstandigheden aanwezig is geweest, op grond waarvan aan de ambtenaar op zijn aanvraag buitengewoon verlof wordt verleend, zulks met inachtneming van de daarbij vermelde voorwaarden en termijnen; b. in alle andere gevallen, indien de ambtenaar, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijze de dienst mocht verzuimen.

Artikel 33fa
1. De ambtenaar die zorg draagt voor een of meer personen als bedoeld in het vierde lid heeft aanspraak op zorgverlof bij calamiteiten onder behoud van zijn volle bezoldiging. 2. Onder calamiteit wordt verstaan ziekte of een andere onverwachte gebeurtenis waardoor een noodsituatie ontstaat in de verzorging van een of meer van de in het vierde lid bedoelde personen. 3. Het verlof is bedoeld als eerste opvang en voor het treffen van verdere voorzieningen en bedraagt maximaal 1 dag per calamiteit. 4. De personen voor wier verzorging het verlof kan worden verleend zijn: de echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwdkinderen van de ambtenaar. 5. De ambtenaar informeert het bevoegd gezag vooraf over het opnemen van het verlof onder vermelding van de reden. 6. Het bevoegd gezag kan eisen dat de ambtenaar achteraf aannemelijk maakt dat daadwerkelijk sprake was van een noodsituatie. Indien de ambtenaar daar naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in slaagt kunnen de opgenomen uren in mindering worden gebracht op het vakantieverlof. 7. Voor de toepassing van dit artikel is het derde lid van artikel 33d van overeenkomstige toepassing.

Zwangerschaps- en bevallingsverlof

Artikel 33fb
1. De vrouwelijke ambtenaar heeft in verband met haar bevalling aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof. 2. Gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof behoudt de vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op bezoldiging. 3. De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een zwangerschapsverlof vanaf de dag waarop de bevalling blijkens een verklaring van een arts of van een verloskundige aangevende de vermoedelijke datum van de bevalling, binnen zes weken is te verwachten. Het verlof vangt uiterlijk aan vier weken voorafgaand aan de vermoedelijke datum van de bevalling. 4. De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een bevallingsverlof van tien weken vanaf de dag volgend op die van de bevalling. Dit verlof wordt verlengd tot ten hoogste zestien weken, voor zover het zwangerschapsverlof voorafgaand aan de vermoedelijke datum van bevalling, om andere redenen dan wegens ziekte minder dan zes weken heeft bedragen. 5. Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het tweede lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming. 6. Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de vrouwelijke ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het vijfde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de vrouwelijke ambtenaar zou zijn toegekend indien zij wel een aanvraag zou hebben ingediend.

Artikel 33fc. Bevalling en ontslag
1. De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier tijdstip van ingang van haar ontslag is gelegen in de periode, bedoeld in artikel 33fb, eerste lid, behoudt haar aanspraak op bezoldiging vermeerderd met haar vakantie-uitkering. De aanspraak eindigt na 16 weken, te rekenen vanaf de eerste dag waarop haar zwangerschapsverlof als bedoeld in artikel 33fb, derde lid, een aanvang heeft genomen. 2. De gewezen ambtenaar, wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met haar vakantie-uitkering gedurende de periode die: a. aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling; en b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden. 3. De periode, bedoeld in het tweede lid, wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen. 4. De gewezen ambtenaar wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met haar vakantie-uitkering gedurende de periode die: a. aanvangt op de datum van bevalling; en b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden. 5. De artikelen 33fb, vijfde en zesde lid, 40, tweede lid, en 48a, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33g. Buitengewoon verlof in verband met ouderschap
1. De ambtenaar die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot een kind, heeft aanspraak op verlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in familierechtelijke betrekking komt te staan, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op verlof. 2. De ambtenaar die blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en de opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, heeft aanspraak op verlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op verlof. 3. Geen aanspraak op verlof bestaat na de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt. 4. Het verlof wordt uitsluitend verleend aan de ambtenaar wiens dienstbetrekking ten minste een jaar heeft geduurd. Indien de dienstbetrekking buiten Nederland wordt vervuld bestaat aanspraak op verlof tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten. 5. Het aantal uren verlof waarop de ambtenaar per keer ten hoogste aanspraak heeft, bedraagt een kwart van het aantal door de ambtenaar te werken uren in het kalenderjaar waarin het verlof aanvangt uitgaande van zijn arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof aanvangt. Indien de arbeidsduur van de ambtenaar gedurende het verlof wijzigt, wordt de aanspraak op het verlof opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de mate waarin de arbeidsduur is gewijzigd en de mate waarin de periode gedurende welke het verlof wordt genoten is verstreken. 6. Het verlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden en gelijkmatig over deze periode verdeeld. In afwijking van de eerste volzin kan de ambtenaar het bevoegd gezag verzoeken om het verlof op een andere wijze aaneengesloten te genieten of het verlof op te delen in ten hoogste drie perioden, waarbij iedere periode ten minste een maand bedraagt. Het bevoegd gezag stemt in met het verzoek tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet. 7. Over de uren waarop de ambtenaar verlof is verleend, behoudt hij 75% van zijn bezoldiging. 8. Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het vijfde lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming. 9. Indien aan de in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het zesde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend. 10. De ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van de bezoldiging over de genoten verlofuren wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van het verlof ontslag wordt verleend op aanvraag dan wel niet op aanvraag op grond van aan de ambtenaar te wijten feiten of omstandigheden. Ontslag op aanvraag gevolgd door een overgang binnen een maand naar een andere functie binnen de rijksdienst wordt niet als ontslag beschouwd. Het bevoegd gezag kan de ambtenaar ontheffen van de in de eerste volzin bedoelde verplichting indien er bijzondere omstandigheden zijn die dat naar het oordeel van het bevoegd gezag rechtvaardigen. 11. De ambtenaar meldt het voornemen verlof te nemen ten minste twee maanden voor het door hem gewenste tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk aan het tot verlening van het verlof bevoegde gezag onder opgave van: a. de aaneengesloten periode van het verlof; b. het aantal uren verlof per week; c. de spreiding van de verlofuren over de week.
De tijdstippen van ingang en einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling, van het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.

12. Het bevoegd gezag is verplicht in te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten. Het bevoegd gezag behoeft aan de aanvraag niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na de aanvraag. In het geval het verlof met toepassing van de eerste volzin, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt de aanspraak op het overige deel van dat verlof. 13. Het bevoegd gezag kan, na overleg met de ambtenaar, de spreiding van de uren over de week op grond van gewichtige redenen van dienstbelang wijzigen tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof.

Artikel 33h
1. De ambtenaar heeft in verband met de adoptie van een kind aanspraak op verlof met behoud van bezoldiging. 2. De aanspraak op verlof in verband met adoptie van een kind bedraagt ten hoogste vier aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende een tijdvak van achttien weken te rekenen vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar aan het bevoegd gezag overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen. 3. Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat de aanspraak op verlof slechts ten aanzien van één van die kinderen. 4. De ambtenaar meldt aan het bevoegd gezag het verlof in verband met adoptie uiterlijk drie weken voor de dag van ingang van het verlof onder opgave van de omvang van het verlof. Bij de melding worden documenten gevoegd waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen. 5. Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het eerste lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming. 6. Indien aan gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het vijfde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend. 7. De bepalingen in dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die een pleegkind opneemt als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d, van de Wet arbeid en zorg.

Artikel 33i
1.
Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van:

a.
zijn echtgenote of echtgenoot;

b.
een inwonend kind tot wie de ambtenaar als ouder in een familierechtelijke betrekking staat;

c.
een inwonend kind van zijn echtgenote of echtgenoot;

d.
een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als de ambtenaar en door hem duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg.

2.
Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met ernstige ziekte van: echtgenote, echtgenoot, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen.

3.
Het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt in elk kalenderjaar ten hoogste tweemaal de arbeidsduur per week.

4.
De ambtenaar meldt vooraf aan het bevoegd gezag dat hij het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, opneemt onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de ambtenaar het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag onder opgave van de reden. Bij die melding geeft de ambtenaar ook de omvang, de wijze van opneming en de vermoedelijke duur van het verlof aan.

5.
Het bevoegd gezag kan achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met de noodzakelijke verzorging als bedoeld in het eerste en tweede lid.

6.
Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het eerste en tweede lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.

7.
Indien aan gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het zesde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het zesde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.

Buitengewoon verlof van lange duur

Artikel 34. Buitengewoon verlof van lange duur
1. Buitengewoon verlof van lange duur kan aan de ambtenaar op zijn aanvraag worden verleend, al dan niet met behoud van bezoldiging en al dan niet onder bepaalde voorwaarden. 2. Het verlof, bedoeld in het eerste lid, gaat niet in dan nadat de ambtenaar schriftelijk heeft verklaard dat hij de daaraan verbonden voorwaarden aanvaardt. 3. Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van het bevoegd gezag uitsluitend strekt in het persoonlijk belang van de ambtenaar, wordt hem dit niet verleend dan zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste een jaar. 4. Aan de ambtenaar die wordt uitgezonden om in de burgerlijke landsdienst van de Nederlandse Antillen of Aruba tijdelijk een betrekking te vervullen, wordt het verlof, bedoeld in het eerste lid, verleend op de voet van de bepalingen van het West-Indisch Detacheeringsbesluit 1930, met dien verstande dat dit verlof in afwijking van genoemd besluit ook kan worden verleend met behoud van bezoldiging. 5. Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, verband houdt met een benoeming van de ambtenaar tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren, van een centrale of van een internationale organisatie van zodanige verenigingen, wordt hem dit niet verleend dan zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste twee jaren. Artikel 33b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. 6. Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend als bedoeld in het eerste lid, met geheel of gedeeltelijk behoud van bezoldiging, gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de bezoldiging toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming. Indien de financiële tegemoetkoming hoger is dan hetgeen over de verlofuren wordt doorbetaald aan bezoldiging wordt de inhouding vastgesteld op het laatstbedoelde bedrag. 7. Indien aan de in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het zesde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.

Artikel 34a [Vervallen per 01-10-1997]

Artikel 34b [Vervallen per 01-10-1997]

Artikel 34c [Vervallen per 01-10-1997]

Artikel 34d [Vervallen per 01-10-1997]

Artikel 34e. Ontslag bij niet hervatten van de werkzaamheden na afloop van buitengewoon verlof van lange duur
1. De ambtenaar, die na afloop van hem verleend buitengewoon verlof van lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn dienst niet tijdig hervat, wordt voor de toepassing van dit reglement geacht een aanvraag tot ontslag te hebben ingediend. 2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar binnen een redelijke termijn ten genoegen van Onze Minister aannemelijk maakt, dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk geval het verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip, waarop bedoelde geldige redenen hebben opgehouden te bestaan.

Artikel 34f
Voor de toepassing van deze paragraaf is – ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, dan wel artikel 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 – met betrekking tot de vaststelling van dit bezoldigingsdeel, het derde, respectievelijk vierde lid van artikel 17 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 34g
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van verlofsparen.

Hoofdstuk VI. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding, rechten en verplichtingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid

§ 1. Definities en bevoegdheden

Artikel 35. Definities
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)
arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO;

b)
arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998;

c)
deskundige persoon: een deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet;

d)
beroepsziekte: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;

e)
dienstongeval: een ongeval, welke in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;

f)
beroepsincident: een dienstongeval of een beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken;

g)
herplaatsingstoelage: een herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 9 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

h)
invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen als bedoeld in hoofdstuk 8 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

i)
medisch advies: een advies van de deskundige persoon of de arbodienst dat ten aanzien van de ambtenaar is uitgebracht na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 36a van dit reglement;

j)
gewezen ambtenaar: een ambtenaar aan wie ontslag is verleend, met ingang van de dag waarop het ontslag is ingetreden;

k)
UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet SUWI;

l)
passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;

m)
Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

n)
Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;

o)
Wet SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

p)
WW-uitkering: een uitkering op grond van de Werkloosheidswet;

q)
bovenwettelijke WW-uitkering: de uitkering bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk;

r)
WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

s)
WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO;

t)
ZW: de Ziektewet;

u)
ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de ZW;

v)
zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de ZW.

Artikel 35a. Bevoegdheden
Indien de bepalingen in dit hoofdstuk worden toegepast op de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman en de Raad van State, dient voor Onze Minister telkens respectievelijk te worden gelezen het College van de Algemene Rekenkamer, de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de vice-president van de Raad van State.

§ 2. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en het medisch advies

Arbeidsgezondheidskundige begeleiding

Artikel 36. Verzuimbegeleiding en arbeidsgezondheidskundige begeleiding van de ambtenaar
1. Onze Minister verricht zijn taak met betrekking tot begeleiding van verzuim en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en de bepalingen in dit hoofdstuk. 2. Onze Minister kan regels vaststellen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van verzuim, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures. 3. De ambtenaar is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden. 4. Onze Minister kan ten aanzien van de ambtenaar die korter dan een jaar volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten bepalen dat hij zijn arbeid slechts mag hervatten, nadat Onze Minister hiervoor toestemming heeft verleend; 5. De ambtenaar die wegens ziekte gedurende een jaar of langer volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten mag zijn arbeid slechts hervatten, nadat Onze Minister hiervoor toestemming heeft verleend. 6. Onze Minister verleent de toestemming, bedoeld in het vierde en vijfde lid, eerst nadat er een medisch advies is van de deskundige persoon of de arbodienst.

Artikel 36a
1. De ambtenaar kan worden verplicht om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan: a) voor zover dit noodzakelijk is om te beoordelen of de ambtenaar van 55 jaar en ouder in staat is nachtarbeid te verrichten; b) indien Onze Minister gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de goede gezondheidstoestand van de ambtenaar; c) indien de ambtenaar niet meer volledig geschikt is gebleken voor het verrichten van zijn arbeid; d) ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het tijdvak waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in het belang van zijn genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen welke arbeid wenselijk wordt geacht; e) indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge de Infectieziektenwet, een nominatieve aangifteplicht geldt; f) om te beoordelen of de ambtenaar, die een functie vervult als bedoeld in artikel 97, eerste lid, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht zijn functie te blijven waarnemen, nadat hij de voor zijn functie vastgestelde leeftijdsgrens heeft bereikt; g) om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 98, derde lid, aanhef en onderdelen a en b; h) om te beoordelen of de ambtenaar die wegens ziekte volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten zijn arbeid mag hervatten; i) voorzover dit voortvloeit uit enige wettelijke verplichting; j) indien hij in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat of hij is benoemd in een functie waarvoor bij aanstelling een geneeskundig onderzoek is vereist als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b. 2. Onze Minister stelt de ambtenaar buiten dienst indien na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid, blijkt dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat de belangen van de ambtenaar, van de dienst of van bij het verrichten van de arbeid betrokken derden zich er tegen verzetten dat de ambtenaar zijn arbeid blijft verrichten. De ambtenaar wordt niet buiten dienst gesteld indien hem andere passende werkzaamheden kunnen worden opgedragen. Indien de ambtenaar buiten dienst wordt gesteld, wordt hij geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het verrichten van zijn arbeid, in welk geval de overige bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing zijn.

Medisch advies

Artikel 36b
1. In geval van een geschil over het wel of niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voorziet artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI in het instellen van een onderzoek en het geven van een oordeel. 2. Het medisch advies dat door de deskundige persoon of de arbodienst wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 36a, wordt zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar en Onze Minister medegedeeld. 3. De ambtenaar of de gewezen ambtenaar kan de deskundige persoon of de arbodienst binnen drie dagen na ontvangst van het medisch advies, schriftelijk een hernieuwd onderzoek vragen indien hij het niet eens is met het medisch advies. De deskundige persoon of de arbodienst stelt Onze Minister in kennis van een ingediend verzoek om een hernieuwd onderzoek. 4. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het schriftelijk verzoek om een hernieuwd onderzoek, doch uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek door een commissie van drie geneeskundigen plaats. 5. Op verzoek van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk zijn mening aan de commissie van drie geneeskundigen kenbaar te maken.

Artikel 36c
1. De leden van de commissie bedoeld in artikel 36b, vierde en vijfde lid, worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen door Onze Minister. De geneeskundige die het medisch advies heeft uitgebracht waarvan herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting. 2. De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan: a) de ambtenaar; b) Onze Minister; c) de behandelend arts, bedoeld in artikel 36b, vijfde lid.

Artikel 36d
De kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in artikel 36b, eerste lid, respectievelijk, het hernieuwd onderzoek bedoeld in het artikel 36b, derde lid, komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.

§ 3. Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid

Aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging, een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering of een aanvullende uitkering

Artikel 37
1.
De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van zijn bezoldiging. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft hij vervolgens recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging.

2.
Het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, vangt aan op de eerste dag waarop wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is of zou zijn gewerkt, of het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is of zou zijn gestaakt. Indien de ambtenaar buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging geniet, vangt het tijdvak aan op de dag volgend op die waarop het buitengewoon verlof is beëindigd.

3.
Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van ongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

4.
In afwijking van het eerste lid, heeft de ambtenaar ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op doorbetaling van zijn bezoldiging indien de ongeschiktheid om zijn arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een beroepsincident.

5.
In afwijking van het eerste lid, heeft de ambtenaar ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op doorbetaling van zijn bezoldiging over het aantal uren dat hij passende arbeid heeft verricht of zou hebben verricht indien die arbeid hem zou zijn aangeboden.

6.
De doorbetaling van de bezoldiging eindigt:

a.
met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van artikel 37a, eerste lid, is herplaatst;

b.
met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend;

c.
met ingang van de dag waarop de ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of

d.
met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.

Artikel 37a
1.
De ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is verplicht een andere functie te aanvaarden indien sprake is van passende arbeid.

2.
De ambtenaar die op grond van het eerste lid is herplaatst voordat de termijn van twee jaar, bedoeld in artikel 98, derde lid, onderdeel a, is verstreken, heeft tot het eind van genoemde termijn rechtop een aanvullende uitkering ter grootte van het verschil tussen:

a.
het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 37 recht zou hebben gehad indien hem geen andere functie zou zijn opgedragen; en

b.
zijn bezoldiging na herplaatsing.

3.
Indien de ziekte uit hoofde waarvan de ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, wordt veroorzaakt door een beroepsincident, heeft de ambtenaar, bedoeld in het tweede lid, tevens recht op een aanvullende uitkering nadat de termijn van twee jaar is verstreken ter grootte van het verschil tussen:

a.
een percentage van zijn bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering, zoals die zou zijn op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot werken; en

b.
zijn bezoldiging na herplaatsing vermeerderd met de vakantie-uitkering en vermeerderd met een uit de oorspronkelijke functie voortvloeiend recht op een WAO-uitkering, invaliditeitspensioen en een herplaatsingstoelage.

4.
Het percentage, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:

80% of meer:

90,02%;

65 tot 80%:

65,26%;

55 tot 65%:

54,01%;

45 tot 55%:

45,01%;

35 tot 45%:

36,01%;

25 tot 35%:

27,01%;

15 tot 25%:

18,00%.

5.
De aanvullende uitkeringen, bedoeld in het tweede en derde lid, eindigen in ieder geval:

a.
met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend;

b.
met ingang van de dag waarop de ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of

c.
met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.

Artikel 38
1.
De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, na zijn ontslag anders dan op grond van artikel 98, eerste lid, onderdeel f, nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft:

a.
zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte, maar niet langer dan een tijdvak van 52 weken, recht op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering;

b.
zolang hij na afloop van het tijdvak, bedoeld in onderdeel a, nog ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, gedurende maximaal 26 weken recht op doorbetaling van 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering.

2.
De gewezen ambtenaar die binnen een maand na het tijdstip van zijn ontslag wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft, zolang hij ongeschikt is tot werken wegens ziekte, gedurende maximaal 52 weken recht op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging indien hij gedurende ten minste twee maanden onmiddellijk aan het ontslag voorafgaande in dienst is geweest.

3.
De gewezen ambtenaren, bedoeld in het eerste en tweede lid, hebben gedurende een tijdvak van 104 weken als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WAO, recht op doorbetaling van hun laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering indien hun arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een beroepsincident.

4.
Het tijdvak gedurende welke de gewezen ambtenaar recht heeft op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vangt aan op de eerste dag waarop wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is of zou zijn gewerkt of het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is of zou zijn gestaakt. Indien de gewezen ambtenaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging genoot, vangt het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aan op de dag waarop het ontslag is ingegaan.

5.
Voor het bepalen van het einde van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte samengeteld indien de perioden van ongeschiktheid elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van artikel 3:8, of 3:10, eerste lid, van die wet, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

6.
De doorbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, eindigt in ieder geval:

a.
met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of

b.
met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.

7.
De gewezen ambtenaar die recht heeft op een WAO-uitkering ter zake van de dienstbetrekking die hij voor zijn ontslag vervulde, heeft recht op een aanvullende uitkering indien de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een beroepsincident.

8.
De aanvullende uitkering, bedoeld in het zevende lid, is gelijk aan het verschil tussen:

a.
een percentage van de laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering, in het jaar voorafgaande aan zijn ontslag; en

b.
de aan de ambtenaar toegekende WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een hem toegekend invaliditeitspensioen en een hem toegekende herplaatsingstoelage.

9.
Het percentage, bedoeld in het achtste lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:

80% of meer:

90,02%;

65 tot 80%:

65,26%;

55 tot 65%:

54,01%;

45 tot 55%:

45,01%;

35 tot 45%:

36,01%;

25 tot 35%:

27,01%;

15 tot 25%:

18,00%.

10.
De aanvullende uitkering, bedoeld in het zevende lid, eindigt:

a.
met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of

b.
met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.

11.
De gewezen ambtenaar aan wie eervol ontslag is verleend op grond van artikel 94a, heeft slechts recht op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging of aanvullende uitkering voorzover deze tezamen met de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 4 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, de laatstgenoten bezoldiging niet overschrijdt.

Artikel 38a
1.
De ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door een beroepsincident, wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een beroepsincident.

2.
De gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door een beroepsincident, wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een beroepsincident.

Artikel 39
De artikelen 37, vierde lid, 37a, tweede tot en met vijfde lid, 38, 38a en 69, tweede lid, zijn niet van toepassing op de ambtenaar en de gewezen ambtenaar die geen deelnemer zijn in de zin van het Pensioenreglement.

Artikel 39a [Vervallen per 14-01-1998]

Geen aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering

Artikel 40. Geen aanspraak
1. De ambtenaar en de gewezen ambtenaar hebben geen aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging of een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering: a) indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven wordt voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte niet kan worden aangenomen; b) indien de ambtenaar de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt; c) indien de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b en blijkt dat de ambtenaar onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring van geschiktheid, de aan de desbetreffende functie verbonden werkzaamheden te verrichten, ten onrechte heeft plaatsgevonden, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld. 2. De gewezen ambtenaar heeft geen aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op grond van een aanvaarde andere betrekking aanspraak kan maken op doorbetaling van zijn loon of bezoldiging, dan wel op een ZW-uitkering.

Artikel 40a
1.
De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:

a)
niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;

b)
zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft stellen;

c)
de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;

d)
zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;

e)
verzuimt de deskundige persoon of de arbodienst op eerste aanvraag mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken;

f)
zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de deskundige persoon of de arbodienst om te verschijnen;

g)
er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de deskundige persoon of de arbodienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;

h)
niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte dit heeft gemeld bij zijn werkgever;

i)
weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de deskundige persoon of de arbodienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden, dan wel, zonder deugdelijke grond weigert deze arbeid, waartoe het bevoegd gezag hem in de gelegenheid stelt, te verrichten;

j)
zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure;

k)
zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;

l)
weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten;

m)
tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;

n)
vóór de betaling van de bezoldiging weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;

o)
niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de hoogte van een aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering;

p)
zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de deskundige persoon of de arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze persoon of dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de deskundige persoon of de arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;

q)
zonder deugdelijke grond weigert gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen passende arbeid te verrichten;

r)
zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak, bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO;

s)
geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering in verband met de toepassing van artikel 25 of 28, onder a of b, van de WAO;

t)
zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.

2.
De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard in het geval de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de regels heeft overtreden die ter zake van afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld.

3.
De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de betreffende verplichting op grond van dat lid.

4.
Onze Minister kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet vervalt maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zal worden uitbetaald.

5.
Voor zover Onze Minister van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging of de niet uitbetaalde bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het in artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI, bedoelde oordeel ten gunste van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt.

Artikel 40b
1.
Het bevoegd gezag is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten.

2.
De maatregelen en voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op duurzame reïntegratie in de eigen arbeid of in andere passende arbeid in de sector Rijk waarvan de voor die arbeid geldende salarisschaal niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die voor de ambtenaar geldt en waarbij de resterende mogelijkheden van de ambtenaar volledig worden benut. Indien na overleg tussen het bevoegd gezag en de ambtenaar vaststaat dat dergelijke arbeid niet voorhanden is, zullen de maatregelen en voorschriften zich richten op duurzame reïntegratie in andere passende arbeid, zo mogelijk binnen een van de overheidssectoren.

3.
Zolang duurzame reïntegratie als bedoeld in het tweede lid niet mogelijk is, stelt het bevoegd gezag de ambtenaar in de gelegenheid andere passende arbeid te verrichten.

4.
Uit hoofde van zijn verplichting, bedoeld in het eerste lid, stelt het bevoegd gezag in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

5.
De ambtenaar die van mening is dat het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, legt bij zijn verzoek tot nakoming aan het bevoegd gezag een oordeel van het UWV als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onder g, van de Wet SUWI over. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken op het verzoek en deelt daarbij mee tot welke aanpassingen in de reïntegratie-inspanningen het verzoek hem aanleiding geeft.

Begin en einde van de tijdvakken van 52 en 26 weken

Artikel 41 [Vervallen per 01-12-2005]

Artikel 41a [Vervallen per 14-01-1998]

Einde van de doorbetaling bezoldiging/arbeidsongeschiktheidsuitkering

Artikel 42 [Vervallen per 01-12-2005]

§ 4. Verplichtingen en sancties

Artikel 43 [Vervallen per 29-12-2004]

Artikel 44 [Vervallen per 29-12-2004]

§ 5. Bijzondere situaties

Samenloop met andere inkomsten

Artikel 45
1.
Bij samenloop van een recht krachtens dit hoofdstuk met een ZW-uitkering, WAO-uitkering, WW-uitkering of bovenwettelijke WW-uitkering op grond van dezelfde dienstbetrekking, wordt deze uitkering in mindering gebracht op dit recht, tenzij het een recht op grond van de artikelen 47 of 48 betreft.

2.
Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de ZW-uitkering, de WAO-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de ZW-uitkering, de WAO-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering voor het vaststellen van de vermindering, bedoeld in het eerste lid, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

3.
Indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar recht heeft op een ZW-uitkering of een WAO-uitkering, is het verplichtingen- en sanctieregime van de ZW of de WAO van overeenkomstige toepassing op zijn recht krachtens dit hoofdstuk op grond van dezelfde dienstbetrekking.

4.
De inkomsten die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet in verband met het verrichten van in het belang van zijn genezing door de deskundige persoon of de arbodienst wenselijk geachte arbeid, worden op de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht, voorzover deze te samen met de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging of de WAO-uitkering, vermeerderd met de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, de bezoldiging te boven gaan.

5.
Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden op het bedrag, waarop de gewezen ambtenaar ingevolge dit hoofdstuk recht heeft, in mindering gebracht, tenzij:

a)
de gewezen ambtenaar deze inkomsten reeds vóór het intreden van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte genoot; en

b)
de omvang van die arbeid niet is toegenomen.

Bevalling

Artikel 46
1. Voor zolang de gewezen ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge artikel 33fc, het eerste, tweede of het vierde lid, toekomende uitkering: a) wegens ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel b) binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging overeenkomstig artikel 38. De termijn van 52 weken wordt geacht aan te vangen na beëindiging van voornoemde periode respectievelijk met ingang van de eerste dag waarop zij ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen. 2. Ongeschikt tot werken, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het eerste lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking als zij vervulde, te vervullen.

Tegemoetkomingen in bijzondere gevallen

Artikel 47. Tegemoetkoming in noodzakelijk gemaakte ziektekosten
1. In bijzondere gevallen kan aan de ambtenaar een tegemoetkoming worden toegekend in noodzakelijk gemaakte kosten die verband houden met ziekte, welke de ambtenaar voor zichzelf en voor zijn medebelanghebbenden heeft gemaakt: a) indien hierin niet ingevolge een andere regeling kan worden voorzien; en b) deze kosten redelijkerwijs niet voor zijn rekening kunnen blijven. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere regels vaststellen.

Artikel 48. Vergoeding van ziektekosten bij dienstongeval en beroepsziekte
1. Indien de ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, voortvloeit uit een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, worden hem vergoed de naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging die voor rekening van de ambtenaar blijven. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere regels vaststellen.

§ 6. Overige bepalingen

Artikel 48a. Aanpassing bedrag / begrip bezoldiging
1.
Het bedrag van de bezoldiging of de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in de artikelen 37, 38 en 39, wordt in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene salariswijziging.

2.
Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 17a, 18 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, worden die toelagen voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde bedrag, vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge de voor hem geldende werktijdregeling zou zijn toegekend indien hij niet ongeschikt was geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Indien de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk is, dan wordt dit bedrag vastgesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelagen heeft genoten over de drie kalendermaanden voorafgaande aan:

a)
de kalendermaand waarin de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte; of

b)
de kalendermaand waarin de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen.

3.
Indien ook voor het overige de bezoldiging niet in een vast bedrag per maand kan worden uitgedrukt, wordt gerekend met het bedrag dat gemiddeld per maand is toegekend in de drie kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin:

a)
de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;

b)
de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen.

4.
Voor zover de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geen drie kalendermaanden in dienst is geweest, wordt voor de toepassing van het tweede en derde lid gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld aan bezoldiging per maand is toegekend over het tijdvak waarin hij in dienst is geweest vóór het ontstaan van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid respectievelijk tot het vervullen van een naar aard en omvang soortgelijke betrekking.

Artikel 48b. Aanpassing bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering
1. De aanspraak van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt zoveel mogelijk op gelijke wijze gewijzigd als een aan hem toegekende WAO-uitkering. 2. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak op een WAO-uitkering hebben wegens de ongeschiktheid tot werken voor een betrekking die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar heeft vervuld naast zijn betrekking ter zake waarvan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar op een uitkering krachtens dit hoofdstuk aanspraak heeft, voor zover de WAO-uitkering naar de inkomsten uit die andere betrekking wordt berekend of geacht kan worden te zijn berekend.

Artikel 49. Vakantie-uitkering
1. De ambtenaar die aanspraak heeft op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft aanspraak op een vakantie-uitkering ter grootte van 8% van de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. 2. De artikelen 21 en 22 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk VII. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties

Procedure rond reorganisaties

Artikel 49a
1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan regels vaststellen omtrent de te volgen procedure bij reorganisaties en het herplaatsen van ambtenaren. 2. Onze Minister kan nadere procedures en regels vaststellen omtrent reorganisaties en het herplaatsen van ambtenaren.

Werkingssfeer

Artikel 49b
1. Bij een reorganisatie zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing. 2. Onder reorganisatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: a. iedere wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van een ministerie of een onderdeel daarvan, waaraan personele consequenties zijn verbonden. b. iedere wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale Ombudsman, de Raad van State of een onderdeel daarvan, waaraan personele consequenties zijn verbonden. 3. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op de overgang van de ambtenaar naar een private onderneming of zelfstandig bestuursorgaan in verband met de privatisering of verzelfstandiging van het dienstonderdeel van het ministerie waarbij de ambtenaar werkzaam is, tenzij bij algemeen verbindend voorschrift anders is bepaald.

Bevoegdheden

Artikel 49c
Indien de bepalingen in dit hoofdstuk worden toegepast op de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale Ombudsman en de Raad van State, dient voor Onze Minister telkens te worden gelezen het College van de Algemene Rekenkamer, de Voorziter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de Kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale Ombudsman of de Vice-President van de Raad van State.

Artikel 49ca
1. Door of namens Onze Minister worden de centrales van verenigingen van ambtenaren tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie. 2. Door of namens Onze Minister worden de betrokken ondernemingsraden tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie.

Het aanwijzen van herplaatsingskandidaten

Artikel 49d
De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd en de ambtenaar aangesteld in vaste dienst, wier functie in verband met een reorganisatie is opgeheven, worden aangewezen als te herplaatsen ambtenaar, hierna te noemen: herplaatsingskandidaat.

Artikel 49e
1. Van overtolligheid is sprake indien binnen het te reorganiseren ministerie, het Kabinet der Koningin, de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de Raad van State, of een onderdeel daarvan, meer ambtenaren een vergelijkbare of uitwisselbare functie vervullen en het totale aantal van die functies zodanig wordt verminderd dat onvoldoende van die functies voor de betrokken ambtenaren resteren. 2. De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd en de ambtenaar aangesteld in vaste dienst, die in verband met een reorganisatie overtollig zijn, worden aangewezen als herplaatsingskandidaat, waarbij de ambtenaar die het geringste aantal jaren in overheidsdienst heeft doorgebracht het eerst als herplaatsingskandidaat wordt aangewezen. 3. Voor de berekening van het aantal in overheidsdienst doorgebrachte jaren wordt mede in aanmerking genomen tijd gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van de ambtenaar behorende 0–4 jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren. 4. Onze Minister kan van de volgorde in het tweede lid afwijken indien zulks naar zijn oordeel noodzakelijk is.

Artikel 49f
De ambtenaar wordt omtrent zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat zo spoedig mogelijk geïnformeerd.

Wederzijdse rechten en verplichtingen

– de verplichting om de ambtenaar een passende functie aan te bieden

Artikel 49g
1. Onverminderd het gestelde in artikel 96, eerste lid is Onze Minister verplicht om de ambtenaar binnen een periode van 18 maanden, te rekenen vanaf het moment dat de ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat, ten minste één passende functie aan te bieden. 2. Onze Minister kan de termijn als bedoeld in het eerste lid verkorten indien: a. de herplaatsingskandidaat heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit hoofdstuk opgelegde verplichting, of; b. reeds eerder in overleg met de ambtenaar binnen de termijn kan worden vastgesteld dat er geen mogelijkheden zijn om de herplaatsingskandidaat te herplaatsen. 3. Onze Minister kan de termijn verlengen of opschorten, indien de omstandigheden naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven. 4. De ambtenaar wordt gelijktijdig met zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat geïnformeerd over de aanvang en het einde van de termijn als bedoeld in het eerste lid. 5. Door Onze Minister wordt de herplaatsingskandidaat geïnformeerd over het verkorten, verlengen of opschorten van de termijn als bedoeld in het tweede en het derde lid.

– passende functie

Artikel 49h
1. Van een passende functie als bedoeld in artikel 49g is sprake indien de herplaatsingskandidaat naar het oordeel van Onze Minister beschikt over de kennis en kunde die noodzakelijk worden geacht om de functie naar behoren te kunnen uitoefenen danwel indien de herplaatsingskandidaat naar het oordeel van Onze Minister binnen redelijke termijn om-, her- of bijgeschoold kan worden, en deze functie hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten, redelijkerwijs kan worden opgedragen. 2. Bij het eerste lid geldt de beperking dat uitsluitend sprake kan zijn van een passende functie indien de voor de functie geldende salarisschaal niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die geldt voor de herplaatsingskandidaat. 3. Onze Minister kan de herplaatsingskandidaat plaatsen op een functie waarvan de geldende salarisschaal meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die geldt voor de herplaatsingskandidaat indien er bijzondere omstandigheden zijn die zulks rechtvaardigen en indien de herplaatsingskandidaat daarmee instemt. 4. Bij een herplaatsing met toepassing van het derde lid zijn de artikelen 49k en 49n van overeenkomstige toepassing.

– plaatsing in een functie

Artikel 49i
Onze Minister kan de naar zijn oordeel meest geschikte herplaatsingskandidaat, voor wie de functie als passend wordt aangemerkt, herplaatsen in die functie.

– de verplichting van de herplaatsingskandidaat om mee te zoeken naar een passende functie en een passende functie te aanvaarden

Artikel 49j
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 49g, eerste lid, is de herplaatsingskandiaat verplicht al het mogelijke te doen om een passende functie te vinden. 2. De herplaatsingskandidaat is verplicht een passende functie te aanvaarden.

– Om-, her- en bijscholing

Artikel 49k
De herplaatsingskandidaat die slechts in een voor hem passende functie kan worden herplaatst na om-, her- of bijscholing kan hiertoe worden verplicht, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd. Artikel 59, tweede lid, eerste volzin, derde, zesde en zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.

– Sanctie

Artikel 49l
1. De herplaatsingskandidaat die heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit hoofdstuk opgelegde verplichting, kan in verband daarmee ontslag worden verleend. 2. Bij een ontslagverlening op grond van het eerste lid wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen.

– Financiële tegemoetkomingen

Artikel 49m [Vervallen per 01-01-2004]

Financiële voorziening bij herplaatsing over grote afstand

Artikel 49n
1. De ambtenaar die in verband met zijn herplaatsing of plaatsing in een passende functie in opdracht van Onze Minister is verhuisd, wordt eenmalig een bedrag toegekend van € 10 890,73 bruto ter tegemoetkoming in de daarmee verband houdende kosten. 2. In de gevallen waarin de ambtenaar en zijn echtgenoot beiden in aanmerking komen voor het bedrag bedoeld in het eerste lid ontvangt elk de helft daarvan. 3. Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt niet toegekend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren nadat de opdracht om te verhuizen is gegeven.

Stimuleringspremie

Artikel 49o
Onze Minister kan de herplaatsingskandidaat een premie in het vooruitzicht stellen ter grootte van maximaal drie maandsalarissen indien aan hem binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend.

Salarissuppletie

Artikel 49p
1. De herplaatsingskandidaat aan wie eervol ontslag op zijn aanvraag is verleend wegens de aanvaarding van een functie kan, onverminderd het bepaalde in artikel 49o, een salarissuppletie worden toegekend indien het in de nieuwe functie genoten salaris lager is dan het salaris in de oorspronkelijke functie. 2. De suppletie als bedoeld in het eerste lid wordt toegekend gedurende maximaal 5 jaar en is ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het in de oorspronkelijke functie genoten salaris en het salaris in de nieuwe functie. 3. Onder door Onze Minister te stellen voorwaarden kan het recht op suppletie op aanvraag van de herplaatsingskandidaat worden afgekocht.

Anticiperen op een reorganisatie

Artikel 49q
Onze Minister kan de artikelen 49j, tweede lid, 49k, 49n en 49p toepassen op de ambtenaar wiens functie binnen afzienbare tijd wordt opgeheven of die als overtollig zal worden aangemerkt.

Hoofdstuk VIIa. Overige rechten en verplichtingen van den ambtenaar

Artikel 50
1. De ambtenaar is gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt. 2. Het is de ambtenaar verboden in dienst uniformkledingstukken te dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven. 3. Het is de ambtenaar verboden bij gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen daarvan door Onze Minister-President vergunning is verleend.

Artikel 51
1. De ambtenaar is verplicht een eed of een belofte af te leggen. 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het afleggen door de ambtenaar van de eed of de belofte. 3. Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt het formulier vastgesteld dat wordt gebruikt voor het afleggen door de ambtenaar van de eed of de belofte.

Artikel 52
Ter zake van niet-naleving van bepalingen, welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht den ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordeelen onthouden of nadeelen toegebracht.

Artikel 53 [Vervallen per 23-10-1998]

Artikel 54
Indien de ambtenaar verhinderd is zijn dienst te verrichten, is hij verplicht daarvan, onder opgave van redenen, zoo tijdig mogelijk mededeeling te doen, ten einde vertraging of hinder in den dienst zooveel doenlijk te voorkomen.

Artikel 55
1. De ambtenaar kan worden verplicht te gaan wonen of te blijven wonen in of nabij de gemeente die hem als standplaats is aangewezen of waartoe zijn standplaats behoort, indien dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn functie. 2. De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd in of nabij de in het eerste lid bedoelde gemeente te gaan wonen, is gehouden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd, daaraan gevolg te geven.

Artikel 56
1. De ambtenaar is verplicht, indien hem eene ambts- of dienstwoning ter bewoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften, die daaromtrent zijn gesteld. 2. Hij draagt de onderhoudskosten, welke volgens de wet en het plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van den huurder zijn, tenzij door het bevoegd gezag ter zake eene afwijkende regeling is vastgesteld.

Artikel 57
1. De ambtenaar kan op zijn aanvraag een andere functie worden opgedragen. 2. Wanneer het belang van de dienst zulks vordert, is de ambtenaar verplicht, een andere passende functie te aanvaarden: a. overeenkomstig het bepaalde in artikel 49h indien het gaat om een verplaatsing in het kader van een reorganisatie, en; b. overeenkomstig het bepaalde in artikel 49h, eerste lid in de overige gevallen. 3. Het opdragen van een andere functie aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, vindt plaats door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister. 4. Het opdragen van een andere functie aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder b of c, vindt plaats door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 57a [Vervallen per 01-12-2005]

Artikel 57b
1.
Indien de ambtenaar van 57 jaar of ouder op diens aanvraag een functie wordt opgedragen waaraan een salarisschaal is verbonden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende salarisschaal, wordt op zijn salaris een inhouding toegepast.

2.
De inhouding is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat de ambtenaar zou genieten bij inpassing in de bij de nieuwe functie behorende salarisschaal op hetzelfde salarisnummer. Indien dit salarisnummer in laatstbedoelde salarisschaal niet voorkomt, geschiedt de inpassing op het naastlagere salarisnummer.

3.
Indien na 52 weken ziekte de doorbetaling van de bezoldiging op grond van artikel 37, eerste lid, wordt teruggebracht tot 70%, wordt de inhouding opgeschort voor de duur van de ziekte.

4.
In bijzondere gevallen kan Onze Minister geheel of gedeeltelijk van de inhouding afzien.

Artikel 58
1. De ambtenaar kan worden verplicht tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen. Hij kan echter niet worden verplicht werkzaamheden te verrichten in de plaats van stakers of uitgeslotenen in particuliere dienst, tenzij de opgedragen werkzaamheden worden verricht in dienst van het lichaam, waarbij hij werkzaam is, en voor de openbare dienst tijdens de staking of uitsluiting, dan wel als onmiddellijk gevolg daarvan redelijkerwijze dadelijk noodzakelijk zijn te achten. 2. Voorts kan aan de ambtenaar door Onze Minister de verplichting worden opgelegd in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak, welke het ministerie waarbij hij werkzaam is of waaronder de dienst of instelling, waarbij hij werkzaam is, ressorteert, in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren. 3. De ambtenaar aan wie de in het vorige lid bedoelde verplichting is opgelegd, is tevens te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen, die verband houden met de in dat lid bedoelde werkzaamheden. 4. Bij de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt voor zoveel mogelijk rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar.

Artikel 58a
1. De ambtenaar die door het bevoegd gezag is aangewezen als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en die naast zijn normale werkzaamheden de bedrijfshulpverleningstaken naar behoren heeft uitgevoerd, ontvangt een toelage. 2. De toelage wordt bepaald volgens door Onze Minister vast te stellen regels en bedraagt tenminste € 158,82 per jaar. 3. De vast te stellen regels bevatten in ieder geval de criteria die gehanteerd worden bij de toekenning van een bedrijfshulpverleningstoelage. 4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan het in het tweede lid genoemde bedrag aanpassen overeenkomstig de algemene salarisontwikkeling van het rijkspersoneel.

Artikel 59
1. De ambtenaar kan in het belang van de Rijksdienst worden verplicht om scholing te volgen, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd. 2. Aan de ambtenaar, die op grond van het eerste lid is verplicht om scholing te volgen, wordt een volledige vergoeding van de noodzakelijk te maken scholingskosten toegekend. Onze Minister kan in bijzondere gevallen afwijken van de vorige volzin. 3. Aan de ambtenaar, die op grond van het eerste lid is verplicht om scholing te volgen, kan scholingsverlof met behoud van bezoldiging worden verleend. 4. Indien de ambtenaar aan wie scholingsverlof als bedoeld in het derde lid is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de bezoldiging toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming. Indien de financiële tegemoetkoming hoger is dan hetgeen over de verlofuren wordt doorbetaald aan bezoldiging wordt de inhouding vastgesteld op het laatstbedoelde bedrag. 5. Indien aan de in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het vierde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend. 6. De ambtenaar, die op grond van het eerste lid is verplicht om scholing te volgen, kan worden verplicht tot terugbetaling van de aan hem toegekende vergoeding van de scholingskosten: a. bij onvoldoende resultaat in de scholing en bij tussentijds afbreken van de scholing, indien dit aan eigen schuld of toedoen van de ambtenaar is te wijten; b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing en in bijzondere gevallen bij ontslag binnen een termijn van maximaal drie jaren na het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij de ambtenaar binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt binnen de Rijksdienst of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen. 7. De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de ambtenaar die binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 49d en 49e, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de Rijksdienst. 8. Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van dit artikel nadere regels worden gesteld.

Artikel 60
1. Aan de ambtenaar die op eigen initiatief scholing gaat volgen, kan op zijn aanvraag een vergoeding van de noodzakelijk te maken scholingskosten worden toegekend of scholingsverlof met behoud van bezoldiging worden verleend, indien het belang van de Rijksdienst bij het volgen van de scholing is gebaat. 2. Indien de ambtenaar aan wie scholingsverlof als bedoeld in het eerste lid is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de bezoldiging toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming. 3. Indien aan de in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het tweede lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend. 4. De ambtenaar, aan wie op grond van het eerste lid een vergoeding van scholingskosten is toegekend, kan worden verplicht tot terugbetaling van die vergoeding: a. bij onvoldoende resultaat in de scholing en bij tussentijds afbreken van de scholing, indien dit aan eigen schuld of toedoen van de ambtenaar is te wijten; b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing en bij ontslag binnen een termijn van maximaal drie jaren na het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij de ambtenaar binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt binnen de Rijksdienst of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen. 5. De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de ambtenaar die binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 49d en 49e, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de Rijksdienst. 6. Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van dit artikel nadere regels worden gesteld.

Artikel 61
1. De ambtenaar is verplicht aan Onze Minister, op een door Onze Minister te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken. 2. Onze Minister voert een registratie op basis van de op grond van het eerste lid gedane opgaven. 3. Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels omtrent dit verbod worden gesteld.

Artikel 62
1. Het is den ambtenaar verboden, middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van openbare diensten, tenzij daarvoor toestemming is verleend. 2. Hij is verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald ten aanzien van het deelnemen, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.

Artikel 63 [Vervallen per 19-12-1997]

Artikel 63a
1. De ambtenaar, die een besturende, beherende dan wel toezichthoudende functie vervult in een naamloze vennootschap of ander rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, en voor de in die functie verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan uit ’s Rijks kas, een vergoeding ontvangt, is verplicht die vergoeding in genoemde kas te storten, indien de benoeming in die functie a. heeft plaats gehad door dan wel in overeenstemming met Onze Minister; b. is voortgevloeid uit een wettelijk voorschrift dan wel uit een overeenkomst, welke met instemming van Onze Minister of de Raad van Ministers is tot stand gekomen. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaar die werkzaamheden vervult die verband houden met het door hem beklede ambt en hem zijn opgedragen door Onze Minister, en die voor die werkzaamheden, anders dan uit ’s Rijks kas, een vergoeding ontvangt. 3. De vorige leden vinden geen toepassing in de gevallen, waarin dit door Onze Minister-President is bepaald.

Artikel 64
1. Het is den ambtenaar in zijn ambt verboden, anders dan met goedvinden van het bevoegd gezag, vergoedingen, belooningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen. 2. Het aannemen van steekpenningen is onvoorwaardelijk en ten strengste verboden.

Artikel 65
De ambtenaar is verplicht de dienstkleding en de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit door Onze Minister voorgeschreven is.

Artikel 66
1. De ambtenaar kan worden verplicht tot geheele of gedeeltelijke vergoeding van de door den dienst geleden schade, voor zoover deze aan hem is te wijten. 2. Het bedrag van de schadevergoeding wordt niet vastgesteld, dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden.

Artikel 66a [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 67
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan regels stellen ten aanzien van telewerken. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:

a. de inrichting van de telewerkplek; b. de beschikbaarstelling door het bevoegd gezag van apparatuur; c. de wijze waarop de werkcontacten tussen de ambtenaar en zijn dienstonderdeel zullen plaatsvinden; d. de wijze waarop wordt voorzien in een vergoeding van de door de ambtenaar gemaakte kosten; e. de wijze waarop het overleg met de vertegenwoordigers van het personeel wordt gevoerd.

Artikel 68
1. De ambtenaar heeft recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten ter zake van dienstreizen. 2. Deze vergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig de daarvoor gestelde regels.

Artikel 69
1.
Onze Minister kan naar billijkheid de ambtenaar schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen.

2.
De ambtenaar en de gewezen ambtenaar die een beroepsincident als bedoeld in artikel 35, onderdeel f, hebben gehad, hebben recht op volledige vergoeding van de schade die zij ten gevolge van dat beroepsincident lijden. In overeenstemming met de ambtenaar kan deze vergoeding mede strekken ter vervanging van de uitkering, bedoeld in artikel 38, zevende lid.

3.
Onze Minister is bevoegd omtrent schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan groepen van ambtenaren in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regels te geven.

Artikel 70
1. De ambtenaar, die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Infectieziektenwet bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn dienst niet verrichten en heeft geen toegang tot dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen dan met toestemming van het bevoegd gezag, dat deze toestemming slechts kan verlenen na positief medisch advies van de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VI. 2. De ambtenaar, die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VI. Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de Arbo-dienst, bedoeld in hoofdstuk VI gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek. 3. Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge het bepaalde in dit artikel zijn dienst niet verricht, geniet hij zijn volle bezoldiging.

Artikel 71
1. Met de ambtenaar wordt minimaal een keer per jaar door een functionaris, aangewezen door het bevoegd gezag, gesproken over: a. de wijze waarop de ambtenaar de opgedragen werkzaamheden heeft uitgevoerd en de resultaten die daarbij zijn gehaald; b. de omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden zijn uitgevoerd; c. welke werkzaamheden de ambtenaar zullen worden opgedragen en welke resultaten daarbij behaald moeten worden; d. de omstandigheden waaronder die op te dragen werkzaamheden zullen worden uitgevoerd; e. de wijze waarop de persoonlijke ontwikkeling van de ambtenaar bevorderd kan worden. 2. Indien de ambtenaar gedurende vijf aaneengesloten jaren dezelfde functie heeft vervuld, wordt in het gesprek als bedoeld in het eerste lid specifieke aandacht besteed aan de continuering van de loopbaan. 3. Van het met de ambtenaar besprokene wordt een schriftelijk verslag gemaakt. 4. Over de in het eerste lid, onder c, d en e, genoemde onderwerpen worden met de ambtenaar afspraken gemaakt. 5. Onze Minister stelt vast aan welke eisen een gesprek als bedoeld in het eerste lid alsmede een verslag daarvan moet voldoen.

Artikel 71a
1. Indien het bevoegd gezag dit wenselijk vindt of de ambtenaar dit aanvraagt, wordt een beoordeling opgemaakt. 2. Een beoordeling wordt eerst vastgesteld nadat deze met de ambtenaar is besproken en hij zijn zienswijze kenbaar heeft kunnen maken. 3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt nadere regels omtrent het opmaken en vaststellen van beoordelingen.

Artikel 71b
1. De werkgever stelt een loopbaanscan beschikbaar ten behoeve van de ambtenaar. Onder loopbaanscan wordt verstaan een instrument waarmee de loopbaanmogelijkheden van de ambtenaar in kaart kunnen worden gebracht. 2. De ambtenaar heeft het recht eenmaal per drie jaar van de loopbaanscan gebruik te maken. 3. De ambtenaar kan de uitkomsten van de loopbaanscan inbrengen in het jaarlijks gesprek, bedoeld in artikel 71, ter ondersteuning van het maken van afspraken over de verdere loopbaan.

Artikel 72
Verplichting tot zekerheidsstelling wordt den ambtenaar niet opgelegd.

Artikel 73
1. De ambtenaar die namens een minister is belast met de in artikel 24, tweede en derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 vermelde taken, is verplicht een tekort geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren, wanneer hem ter zake van dat tekort een ernstig verwijt kan worden gemaakt. 2. De ambtenaar die namens een minister is belast met het in artikel 25, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 bedoelde beheer, is verplicht schade te vergoeden, wanneer hem ter zake van die schade een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Artikel 74 [Vervallen per 10-07-1992]

Artikel 75 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 76
Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft en hiervan aan het hoofd van dienst heeft kennis gegeven, behoort gelegenheid te worden gegeven haar kind te zoogen.

Artikel 77
1. Aan den ambtenaar kan door het bevoegd gezag de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd. 2. Hij is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde, die ten aanzien van het verblijf aldaar zijn vastgesteld.

Artikel 78
Het is den ambtenaar verboden gedurende den werktijd alcoholhoudende dranken te gebruiken, bij zich te hebben of in de dienstlokalen te bewaren.

Artikel 79
1. De ambtenaar heeft aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum volgens door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te stellen regels. 2. De ambtenaar die een diensttijd heeft van 10 jaar of meer en aan wie ontslag is verleend op grond van artikel, 96 of 98, eerste lid onder f wordt een diensttijdgratificatie toegekend ter grootte van een in verhouding tot de doorgebrachte diensttijd evenredig gedeelte van een gratificatie bij ambtsjubileum als bedoeld in het eerste lid. Toekenning vindt niet plaats indien niet binnen een termijn van vijf jaar na de datum van ingang van het ontslag aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum zou hebben bestaan.

Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen

Artikel 80
1. De ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan deswege disciplinair worden gestrafd. 2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. 3. Tenzij door Ons of met Onze machtiging door Onze Minister anders is bepaald, wordt de straf opgelegd door het gezag, dat bevoegd is tot aanstelling in het door de ambtenaar beklede ambt. Indien deze bevoegdheid bij Ons berust, geschiedt de bestraffing, behalve voor zover betreft de straffen genoemd in artikel 81, eerste lid, onder i en l, door Onze Minister.

Artikel 81
1. De disciplinaire straffen, welke kunnen worden opgelegd, zijn: a. schriftelijke berisping; b. buitengewone dienst op andere dagen dan zondag en de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen, zonder beloning of tegen een lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste 6 uren met een maximum van 3 uren per dag; c. vermindering van het recht op jaarlijkse vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren, waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat; d. geldboete van ten hoogste € 22; e. gehele of gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand; f. vaststelling van het salaris op een bedrag in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal dat maximaal twee jaarlijkse periodieke salarisverhogingen minder bedraagt dan ingevolge de op hem van toepassing zijnde bezoldigingsregeling behoort te gelden, of indien voor het door de ambtenaar beklede ambt geen salarisschaal geldt, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren; g. het niet toekennen van periodieke salarisverhogingen gedurende ten hoogste vier jaren; h. uitsluiting voor de tijd van ten hoogste vier jaren van indeling in een salarisschaal waarvoor een hoger maximumsalaris geldt, indien zodanige indeling anders volgens de daarvoor geldende regeling zou hebben plaatsgevonden; i. indeling in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt dan dat verbonden aan de salarisschaal welke ingevolge de van toepassing zijnde bezoldigingsregeling behoort te gelden, een en ander al dan niet voor een bepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging; j. verplaatsing, al dan niet met verlening van een tegemoetkoming in mogelijke verplaatsingskosten tot ten hoogste het bedrag, dat in geval van verplaatsing in het belang van de dienst zou kunnen worden verleend krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989; k. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van bezoldiging; l. ontslag. 2. Indien een straf, als bedoeld in het eerste lid onder g, h of i is opgelegd, kan – zo het verdere gedrag van de ambtenaar naar het oordeel van het tot oplegging van de straf bevoegd gezag daartoe aanleiding heeft gegeven – zijn positie met ingang van een bepaald tijdstip geheel of ten dele in overeenstemming worden gebracht met de positie, zoals deze zonder de strafoplegging zou zijn geweest. 3. Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.

Artikel 82
1. Indien de ambtenaar verantwoording aflegt doet hij dit ten overstaan van het gezag dat tot de voorgenomen strafoplegging bevoegd is, of van een door dit gezag aangewezen autoriteit, tenzij bij koninklijk besluit anders wordt bepaald. Indien deze bevoegdheid bij Ons berust, geschiedt de verantwoording ten overstaan van Onze Minister of van een door deze aangewezen autoriteit. Het gezag, ten overstaan waarvan de verantwoording zal plaats vinden, bepaalt of deze mondeling of schriftelijk zal geschieden, met dien verstande dat bij schriftelijke verantwoording de ambtenaar op zijn verzoek gelegenheid wordt gegeven tot nadere mondelinge toelichting. 2. Van de mondelinge verantwoording en van een eventuele nadere mondelinge toelichting wordt aanstonds proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem, te wiens overstaan de verantwoording heeft plaats gevonden, en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt aan de ambtenaar uitgereikt.

Artikel 82a
De ambtenaar kan niet gestraft worden wegens overtreding van artikel 125a, eerste lid, van de Ambtenarenwet, dan nadat daarover advies is ingewonnen van de Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening ambtenaren.

Artikel 83
De ambtenaar dient van de ontvangst van een besluit inzake strafoplegging te doen blijken door onverwijlde terugzending van een door hem ondertekend en gedateerd ontvangstbewijs.

Artikel 84
De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.

Hoofdstuk IX. De instelling en werkwijze van commissies waaraan de beslissing met uitsluiting van administratieve organen is opgedragen

Artikel 85 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 86 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 87 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 88 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 89 [Vervallen per 01-01-1994]

Hoofdstuk X. Schorsing en ontslag

Artikel 90
De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst, wanneer hij krachtens wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, genomen in het belang van de volksgezondheid.

Artikel 91
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 81, eerste lid onder k, kan de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst: a. Indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen hem is ingesteld; b. wanneer hem door het daartoe bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is opgelegd; c. wanneer, naar het oordeel van het bevoegde gezag, het belang van de dienst zulks vordert. 2. Schorsing geschiedt door het gezag, dat bevoegd is tot aanstelling in het ambt, waarin geschorst wordt, met dien verstande dat de schorsing van de ambtenaar, die is aangesteld overeenkomstig artikel 7, eerste lid, onder c geschiedt door Onze Minister. Berust die bevoegdheid bij Ons, dan geschiedt de schorsing door Onze Minister.

Artikel 92
1. Tijdens de schorsing kan de bezoldiging voor één derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van zes weken kan een verdere inhouding, ook van het volle bedrag der bezoldiging, plaatsvinden.
Geen inhouding vindt plaats in geval van schorsing in het belang van de dienst, bedoeld in het eerste lid onder c van het vorige artikel, van plaatsing in een krankzinnigengesticht of daarmede gelijk te stellen inrichting dan wel van politiebewaring of inverzekeringstelling als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering, mits niet gevolgd door inbewaringstelling.

2. De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de ambtenaar worden uitbetaald, indien de schorsing niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf of ontslag op grond van artikel 98, eerste lid onder e. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten, welke de ambtenaar sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid, die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij zulks, naar het oordeel van het bevoegde gezag, onredelijk of onbillijk is. 3. Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging van de geschorste ambtenaar kan aan anderen worden uitbetaald. 4. In geval van schorsing tijdens ziekte van de ambtenaar wordt onder bezoldiging verstaan, hetgeen daaronder voor de toepassing van hoofdstuk VI wordt verstaan.

Artikel 93
Ontslag wordt gegeven door het gezag dat bevoegd is tot aanstelling in het desbetreffende ambt. De voordracht voor het ontslag van de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, geschiedt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De voordracht voor het ontslag van de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder b of c, geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 94
1. De ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend. 2. Behoudens in het geval, bedoeld in artikel 34e, eerste lid, wordt dit ontslag verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden na de dag, waarop de aanvraag om ontslag is ingekomen. 3. Van het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken, indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen de ambtenaar is ingesteld of indien wordt overwogen de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. 4. Van het bepaalde in het tweede lid kan worden afgeweken: a. indien wordt overwogen de ambtenaar een disciplinaire straf op te leggen; b. indien het belang van de dienst zulks vordert, met dien verstande, dat de termijn van drie maanden, vermeld in het tweede lid, tot ten hoogste zes maanden kan worden verlengd en dat bij de verlenging in redelijkheid met het belang van de ambtenaar rekening wordt gehouden; c. ingevolge een aanvraag van de ambtenaar. 5. Het ontslag op aanvraag van de ambtenaar wordt eervol verleend.

Artikel 94a
1. Onder de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel, als bedoeld in dit artikel, wordt verstaan de overeenkomst die is aangegaan op grond van artikel 2 van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel. Onder het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds Abp, als bedoeld in dit artikel, wordt verstaan het reglement van die stichting dat is vastgesteld met inachtneming van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering Abp. 2. Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds Abp wordt ontslag verleend, indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds Abp op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na dat te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van die regeling. Het ontslag gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht op de in de vorige volzin bedoelde uitkering ontstaat. 3. Op aanvraag van de ambtenaar kan het in het tweede lid bedoelde ontslag ook voor een gedeelte van de voor hem geldende arbeidsduur worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het gedeelte van dit ontslag bedraagt ten minste 10% van de omvang van de dienstverhouding. Ontslag voor een gedeelte van de arbeidsduur waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag met het oog op de in het tweede lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden bedraagt ten minste 10% van de oorspronkelijke arbeidsduur. 4. Artikel 94 , tweede tot en met vijfde lid, is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 95
1. Aan de ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst wordt geacht eervol ontslag te zijn verleend zodra de duur van de aanstelling in tijdelijke dienst is verstreken, tenzij sprake is van een stilzwijgende voortzetting als bedoeld in artikel 6, vierde of vijfde lid. 2. Aan de ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst kan ontslag worden verleend, mits een opzegtermijn in acht wordt genomen van: a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijke tenminste twaalf maanden onafgebroken in dienst is geweest; b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijke tenminste zes maanden doch korter dan twaalf maanden onafgebroken in dienst is geweest; c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijk korter dan zes maanden onafgebroken in dienst is geweest. 3. Opzegging als in het vorige lid bedoeld kan niet geschieden gedurende de zwangerschap van de vrouwelijke ambtenaar, noch gedurende het verlof bedoeld in artikel 33fb, vierde lid, noch – indien zij haar dienst heeft vervat – gedurende een periode van zes weken volgend op dat verlof. Het bevoegd gezag kan ter staving van de zwangerschap een verklaring van een arts of van een verloskundige verlangen. 4. Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens het aanvragen of het opnemen van ouderschapsverlof. 5. Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. 6. Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet plaatsvinden wegens het feit dat de ambtenaar door een centrale als bedoeld in artikel 105 of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende aktiviteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging dan wel binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en daarbij aangesloten verenigingen te ondersteunen. 7. Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar is geplaatst op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de ondernemingsraden, noch wegens het lidmaatschap of het korter dan twee jaar geleden beëindigde lidmaatschap van de ambtenaar van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad. 8. Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan voor de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op de aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd, welke aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering, berekend op de voet van het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

Reorganisatie-ontslag

Artikel 96
1. De ambtenaar kan in het kader van een reorganisatie eervol ontslag worden verleend indien het niet mogelijk is gebleken om hem te herplaatsen in een passende functie. 2. Aan de ambtenaar die in het kader van een reorganisatie is herplaatst kan alsnog het ontslag, bedoeld in het eerste lid worden verleend indien binnen een periode van uiterlijk één jaar te rekenen vanaf de datum waarop de functie is opgedragen, blijkt dat de betreffende functie niet passend is voor die ambtenaar en het niet mogelijk is om de ambtenaar binnen een redelijke termijn op een passende functie te plaatsen. 3. Bij een ontslagverlening op grond van het eerste lid van dit artikel wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen. Bij een ontslagverlening op grond van het tweede lid van dit artikel geldt geen opzeggingstermijn.

Artikel 96a
1. Aan de ambtenaar kan eervol ontslag worden verleend indien van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd, dat hij zich zal voegen in zijn verplaatsing over een aanmerkelijke afstand tengevolge van een verplaatsing van zijn functie. 2. Aan de ambtenaar kan binnen een periode van uiterlijk één jaar nadat hij is verplaatst over een aanmerkelijke afstand, alsnog het ontslag, bedoeld in het eerste lid worden verleend indien van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij zich zal blijven voegen in zijn verplaatsing over een aanmerkelijke afstand tengevolge van een verplaatsing van zijn functie. 3. De artikelen 49h tot en met 49l, 49o en 49p zijn op de ambtenaar van overeenkomstige toepassing.

Artikel 96b
1. Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen, tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend. 2. Tenzij artikel 34e, eerste lid, van toepassing is, wordt eervol ontslag eveneens verleend aan de ambtenaar, die na afloop van het verlof, verleend met toepassing van artikel 34, uitgezonderd het vierde en vijfde lid, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld. 3. Het eerste lid vindt eveneens toepassing voor de ambtenaar die ophoudt de functie te bekleden, bedoeld in artikel 16, derde lid.

Artikel 96c
Aan de ambtenaar die een benoeming tot minister of staatssecretaris aanvaardt wordt, met ingang van de dag van het aanvaarden van deze betrekking, eervol ontslag verleend.

Artikel 97
1. Bij besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt een in categorie A en B onderverdeelde lijst met functies vastgesteld, die uit hoofde van de aard van de aan die functies verbonden werkzaamheden als substantieel bezwarend worden aangemerkt. 2. De ambtenaar, belast met een functie die is ingedeeld in categorie A van de in het eerste lid bedoelde lijst, wordt eervol ontslag verleend op de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. 3. De ambtenaar, belast met een functie die is ingedeeld in categorie B van de in het eerste lid bedoelde lijst, wordt eervol ontslag verleend op de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt. 4. Het bevoegd gezag kan van het verlenen van het ontslag, bedoeld in het tweede en het derde lid, voor de duur van telkens ten hoogste één jaar afzien, indien het dienstbelang zich daartegen niet verzet, de ambtenaar zulks heeft aangevraagd of daarmee instemt en hij blijkens de uitslag van een door de deskundige persoon of de arbodienst ingesteld arbeidsgezondheidskundig onderzoek, als bedoeld in artikel 36a, eerste lid, onder f, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht zijn functie te blijven vervullen. 5. Indien niet meer wordt voldaan aan een of meer van de in het vierde lid genoemde voorwaarden, vindt eervol ontslag plaats. 6. Het ontslag, bedoeld in het vijfde lid, wordt verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of niet later dan drie maanden na de dag, waarop niet langer aan een of meer van de in het vierde lid gestelde voorwaarden wordt voldaan. 7. De ambtenaar, aan wie op grond van het tweede, derde of vijfde lid ontslag is verleend, heeft recht op een uitkering overeenkomstig door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te stellen regels. 8. Het ontslag op grond van het tweede, derde of vijfde lid wordt geacht een ontslag te zijn als bedoeld in artikel 94a, tweede lid, indien ten aanzien van dat ontslag wordt voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarden.

Artikel 97a [Vervallen per 01-01-1958]

Artikel 97b
1. Voor de ontslagverlening als bedoeld in artikel 125e, tweede lid, van de Ambtenarenwet, is overeenstemming vereist met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze is gehouden het advies in te winnen van de Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening ambtenaren. 2. Indien het voornemen tot ontslagverlening afkomstig is van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is overeenstemming vereist met Onze Minister-President.

Artikel 98
1.
Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of ingevolge het bepaalde bij artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, de artikelen 95, 96, 96a, 96b, 96c en 97 van dit besluit en bij artikel 125e, tweede lid, van de Ambtenarenwet, kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van:

a.
het verlies van een vereiste voor de benoembaarheid, door het bevoegde gezag gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;

b.
het aangaan van een graad van zwagerschap, die de benoembaarheid tot het ambt zou uitsluiten;

c.
onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak, waarbij de ambtenaar onder curatele is gesteld;

d.
het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

e.
onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;

f.
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;

g.
onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;

h.
het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;

i.
het bij of in verband met indiensttreding en/of keuring verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.

2.
Een ontslag op grond van het bepaalde in het eerste lid onder a, b, f, g en h wordt steeds eervol verleend.

3.
Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan slechts plaatsvinden indien:

a.
er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,

b.
herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en

c.
het bevoegd gezag van oordeel is dat duurzame reïntegratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van de ambtenaar, niet binnen een redelijke termijn te verwachten is.

4.
De termijn van twee jaar, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt verlengd:

a.
met de duur van de vertraging indien het bevoegd gezag de aangifte, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet later doet dan op grond van dat artikel van de Ziektewet is voorgeschreven;

b.
met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, indien de wachttijd op grond van het zevende lid van dat artikel wordt verlengd;

c.
met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft vastgesteld.

5.
Voor de berekening van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschapsverlof en perioden van ongeschiktheid tijdens het zwangerschaps- of bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, niet in aanmerking genomen.

6.
Perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, anders dan bedoeld in het vijfde lid, worden samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

7.
Om te beoordelen of er sprake is van een situatie, bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, vraagt het bevoegd gezag het oordeel van een daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, die de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering uitvoert ten aanzien van de ambtenaar, aangewezen arts.

8.
De in het zevende lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling een door het bevoegd gezag aangewezen arts en, indien de ambtenaar dit wenst, een door de ambtenaar aangewezen arts.

9.
Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar er schriftelijk van in kennis dat de procedure, bedoeld in het zevende lid, wordt ingesteld.

Daarbij wijst het bevoegd gezag de ambtenaar op de mogelijkheid om een arts van zijn keuze te laten deelnemen aan de procedure.

10.
De kennisgeving, bedoeld in het negende lid, geschiedt niet eerder dan nadat de ambtenaar gedurende een onafgebroken periode van 18 maanden ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Het zesde lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.

11.
De in het zevende lid bedoelde arts stelt naar aanleiding van zijn bevindingen een rapport op. Hij zendt dit rapport aan het bevoegd gezag. Tevens zendt hij een afschrift van dit rapport aan de ambtenaar.

12.
Indien herplaatsing als bedoeld in artikel 37a plaatsvindt in een betrekking voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere aantal uren.

Artikel 98a
Indien aan de ambtenaar gedurende de tijd, dat hij recht heeft op wachtgeld, daaronder mede begrepen herplaatsingswachtgeld, een uitkering krachtens de Uitkeringsregeling 1966 of een suppletie op grond van de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk , een voor hem passend geachte betrekking is aangeboden en die betrekking binnen een periode van uiterlijk één jaar, nadat hij haar is gaan vervullen, niet passend voor hem blijkt te zijn, kan hem binnen die periode op zijn aanvraag eervol ontslag uit die betrekking worden verleend, welk ontslag ten aanzien van zijn aanspraken op een wachtgeld of uitkering als evenbedoeld, wordt geacht niet door eigen toedoen te zijn verleend.

Artikel 98b
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 98, derde lid, onderdeel a, kan aan de ambtenaar die ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, ontslag worden verleend, indien hij zonder deugdelijke grond weigert: a. gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid, bedoeld in artikel 35, onderdeel l, te verrichten, of b. passende arbeid te verrichten waartoe het bevoegd gezag hem in de gelegenheid stelt, of c. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. 2. Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, vraagt het bevoegd gezag een hierop betrekking hebbend advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en neemt dit mede in beschouwing.

Artikel 99
1. Aan de ambtenaar in vaste dienst kan ook op andere gronden dan die in artikel 98 zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, ontslag worden gegeven. Dat ontslag wordt eervol verleend. 2. In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt door het tot ontslagverlening bevoegde gezag een voorziening getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering verleend wordt, die, naar het oordeel van dat bevoegde gezag, met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal ten minste gelijk zijn aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet. Voor zover door het bevoegde gezag ten gunste van de ambtenaar niet anders is beslist, zijn op de uitkering voor het overige de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk van overeenkomstige toepassing. 3. Indien de ambtenaar terzake van zijn ontslag ingevolge het eerste lid recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, wordt de in het tweede lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.

Artikel 100 [Vervallen per 01-01-2001]

Artikel 100a
1. De ambtenaar aan wie op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie buiten de overheid, heeft op grond van zijn ontslag als ambtenaar aanspraak op een uitkering overeenkomstig het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt slechts indien de ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 49d en 49e en hij binnen twee jaar na zijn indiensttreding buiten de overheid buiten zijn schuld of toedoen wordt ontslagen. 3. Indien de ambtenaar terzake van zijn ontslag ingevolge het tweede lid recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet wordt de in het eerste lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.

Artikel 101 [Vervallen per 01-01-1999]

Artikel 102
1. De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van overlijden. Artikel 24, lid 1 wordt voorts overeenkomstig toegepast. 2. Met inachtneming van het bepaalde in het vijfde lid wordt zo spoedig mogelijk na het overlijden aan de weduwe of weduwnaar, van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden. Als maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin bedoelde bedrag geldt, behoudens het hierna bepaalde, de bezoldiging, welke de ambtenaar op de dag van het overlijden genoot of, indien hij op die dag aanspraak maakt op een uitkering op grond van de Ziektewet, de Werkloosheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering dan wel een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk VI, zou hebben genoten indien hij op die dag arbeidsgeschikt zou zijn geweest.
De uitkering wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan drie maal dat van de vakantie-uitkering over een maand berekend op de voet van het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, naar de bezoldiging die de ambtenaar in de maand van het overlijden zou hebben genoten. Indien de ambtenaar in het genot was van een toelage als bedoeld in artikel 17, dan wel artikel 18a van eerdervermeld besluit, wordt het gedeelte van de in de eerste volzin bedoelde uitkering dat betrekking heeft op bovenbedoelde toelagen gesteld op het bedrag dat de overleden ambtenaar in de drie kalendermaanden voorafgaand aan de dag van het overlijden aan zodanige toelagen is toegekend.

Bij ontstentenis van een weduwe of weduwnaar, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen, waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging van de ambtenaar.

3. Indien de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het tweede lid, nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door het bevoegde gezag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is. 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt, indien de ambtenaar op de dag van het overlijden wegens ziekte of ongeval verhinderd was zijn dienst te verrichten, onder bezoldiging verstaan hetgeen daaronder voor de toepassing van hoofdstuk VI wordt verstaan. 5. Indien de ambtenaar voor zijn overlijden te veel vakantie heeft genoten, vindt artikel 24, tweede lid, overeenkomstige toepassing. Het aldus verschuldigde bedrag en de reeds voor zijn overlijden aan de ambtenaar uitbetaalde bezoldiging over een na zijn overlijden gelegen tijdvak worden in mindering gebracht op het eventueel aan de nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden van de ambtenaar verschuldigde bedrag wegens nog niet vergolden aanspraken van de ambtenaar, en bij gebreke hiervan of indien en voorzover dit bedrag daarvoor niet toereikend is, op de uitkering bedoeld in het tweede lid. 6. Op het bedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering gebracht een uitkering op grond van artikel 35 van de Ziektewet of artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen, indien deze uitkeringen worden uitgekeerd. Alleen uitkeringen die voortvloeien uit de dienstbetrekking bij Onze Minister worden in mindering gebracht.

Artikel 102a
Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn overlijden op grond van de artikelen 38 en 46 in het genot was van doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, wordt aan de in artikel 102 bedoelde personen en met overeenkomstige toepassing van dat artikel een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging welke de gewezen ambtenaar op de dag van zijn overlijden genoot, berekend over een tijdvak van drie maanden. Op deze uitkering wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering op grond van artikel 35 Ziektewet, artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 6 en 11 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen, indien deze uitkeringen worden uitgekeerd. Alleen uitkeringen die voortvloeien uit de dienstbetrekking bij Onze Minister worden in mindering gebracht.

Artikel 102b
1. Indien het overlijden van de ambtenaar is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, wordt aan degene die in verband met dit overlijden krachtens het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, een nabestaandenpensioen geniet, een uitkering toegekend ten bedrage van 18 procent van het resultaat van de vermenigvuldiging van: a) indien het gaat om de partner, bedoeld in artikel 7.1 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, vijf zevende deel van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP en de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; b) indien het gaat om de wees, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, aanhef, onderdeel a, van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, een zevende deel van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, en de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; c) indien het gaat om de wees, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, aanhef, onderdeel b, van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, twee zevende deel van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, en de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
Indien de weduwe of weduwnaar een samenlevingscontract sluit dan wel een geregistreerd partnerschap aangaat, eindigt de uitkering met ingang van de maand volgend op de datum van het sluiten van het samenlevingscontract dan wel het aangaan van het geregistreerd partnerschap.

2. De uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overledene de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, dan wel, indien de partner, bedoeld in artikel 7.1 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan wie een pensioen werd toegekend, hertrouwt, met ingang van de maand volgende op de datum van het hertrouwen. Indien de weduwe of weduwnaar een samenlevingscontract sluit dan wel een geregistreerd partnerschap aangaat, eindigt de uitkering met ingang van de maand volgende op de datum van het sluiten van het samenlevingscontract dan wel van het aangaan van het geregistreerd partnerschap. 3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen ambtenaar ten aanzien van wie artikel 38, derde lid, toepassing heeft gevonden, indien zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in dat artikel.

Artikel 103
1. Gedurende de maand van het overlijden en de volgende drie maanden behouden de achterblijvende gezinsleden het gebruik der ambts- of dienstwoning, waarin zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan echter worden afgeweken als Onze Minister dat in het belang van de dienst noodzakelijk acht. Alsdan wordt door Onze Minister naar billijkheid een schadevergoeding gegeven. 2. Bij vrijwillig verlaten van de ambts- of dienstwoning binnen de termijn, gedurende welke de woning nog mag worden gebruikt, kan Onze Minister te zijner beoordeling een vergoeding geven.

Artikel 104
Indien door de ambtenaar voor het gebruik der ambts- of dienstwoning een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd, gedurende welke zij het gebruik dier woning behouden.

Artikel 104a
1. Bij vermissing van de ambtenaar vinden, behoudens het bepaalde in het tweede lid, de bepalingen van de artikelen 102 tot en met 104 overeenkomstige toepassing. De ambtenaar wordt daarbij geacht te zijn overleden op een door Onze Minister te bepalen dag. 2. Het bepaalde in het tweede lid van artikel 102 vindt geen toepassing indien gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg is van ongeoorloofde afwezigheid. 3. Indien blijkt, dat de als vermist beschouwde ambtenaar in leven is, kan ter beoordeling van het bevoegde gezag de bezoldiging alsnog worden uitbetaald, tenzij gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg was van ongeoorloofde afwezigheid. 4. Indien uit hoofde van de vermissing van de ambtenaar pensioen of enige andere uitkering, voortvloeiende uit zijn ambtelijke rechtspositieregeling, is toegekend over het tijdvak, waarover naar het oordeel van het bevoegde gezag aanspraak bestaat op bezoldiging, wordt die bezoldiging verminderd met de over dat tijdvak aldus uitbetaalde bedragen. 5. De bezoldiging, waarop de ambtenaar ingevolge het derde en het vierde lid aanspraak heeft, kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitbetaald.

Hoofdstuk XI. Het overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren

§ 1. Het overleg met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel

Artikel 105
1. Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren in de zin van dit besluit met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, wordt niet beslist dan nadat daarover door of namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties overleg is gepleegd met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel. 2. De Sectorcommissie bestaat uit vertegenwoordigers van: a. de Algemene Centrale van Overheidspersoneel; b. de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijspersoneel; c. het Ambtenarencentrum; d. de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs, Bedrijven en Instellingen; e. andere door Ons tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren, welke onder meer gelet op het aantal ambtenaren, dat zij vertegenwoordigen, eveneens als representatief kunnen worden aangemerkt en tegen wier toelating het algemeen belang zich niet verzet. 3. Indien een voorstel, waarover overleg dient plaats te vinden, strekt tot invoering of wijziging van een regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren wordt dit voorstel slechts ten uitvoer gebracht, indien daarover overeenstemming bestaat met de Sectorcommissie. Het standpunt van de Sectorcommissie wordt bepaald bij meerderheid van stemmen. Elke centrale brengt één stem uit. Indien de stemmen binnen de Sectorcommissie staken, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of het voorstel ten uitvoer wordt gebracht. 4. In de Sectorcommissie wordt geen overleg gevoerd over voorstellen die betrekking hebben op het gehele overheidspersoneel. 5. Indien een voorstel als bedoeld in het vierde lid, ziet op het van toepassing verklaren op overheidspersoneel van een wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers, die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1637a van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn, vindt in de Sectorcommissie overleg plaats over de gevolgen van een desbetreffend voorstel voor ambtenaren en de eventueel daarmee samenhangende wijzigingen in de voor hen geldende regelingen. Het overeenstemmingsvereiste, bedoeld in het derde lid, is daarbij niet van toepassing, mits het totaal van rechten en verplichtingen van ambtenaren over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt. 6. Indien bij het overleg, bedoeld in het vijfde lid, een geschil ontstaat over de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarde dat het totaal van rechten en verplichtingen van de ambtenaren over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, wordt dat geschil onderworpen aan arbitrage door de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110g.

Artikel 106
1. Elke centrale is bevoegd tot aanwijzing van twee leden en twee plaatsvervangende leden van de Sectorcommissie. 2. Wij behouden Ons voor een toelating tot het overleg krachtens artikel 105 te schorsen en een toelating tot het overleg krachtens het tweede lid van dat artikel, onder e, in te trekken, indien de centrale van verenigingen van ambtenaren naar Ons oordeel niet meer representatief is dan wel het algemeen belang zich tegen haar verdere toelating verzet. 3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd een lid of plaatsvervangend lid van de Sectorcommissie van deelneming aan het overleg uit te sluiten indien naar het oordeel van Onze genoemde Minister het dienstbelang dit in verband met zijn werkzaamheden als Rijksambtenaar vordert. De uitsluiting geschiedt niet dan nadat het bestuur van de daarbij betrokken zijnde centrale van verenigingen van ambtenaren over het voornemen daartoe is gehoord, en het advies van de overige leden van de Sectorcommissie daarover is ingewonnen.
In afwachting van de beslissing van Onze Minister neemt het betrokken lid of plaatsvervangend lid niet of niet meer deel aan het overleg.

Na de uitsluiting wijst de desbetreffende centrale een andere vertegenwoordiger aan als lid of plaatsvervangend lid van de Sectorcommissie in de plaats van de uitgeslotene.

Artikel 107
1. Het overleg staat onder leiding van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hij is bevoegd de leiding van het overleg op te dragen aan de directeur-generaal Management en Personeelsbeleid van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indien de aard van de te bespreken aangelegenheden dit toelaat. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst functionarissen aan die hem, dan wel de functionaris die namens hem het overleg voert, bij het overleg terzijde staan. 3. Het secretariaat van het overleg wordt gevoerd door een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties benoemde of aangewezen secretaris, die ten dienste staat van zowel de voorzitter en de in het tweede lid bedoeld ambtenaren als van de Sectorcommissie. De benoeming of aanwijzing van de secretaris geschiedt in overeenstemming met de Sectorcommissie. 4. Bij de behandeling van bepaalde aangelegenheden kan op uitnodiging of met toestemming van de voorzitter ook door anderen dan degenen, die daartoe ingevolge de vorige bepalingen van dit hoofdstuk bevoegd zijn, aan het overleg worden deelgenomen. 5. De leden van de Sectorcommissie kunnen zich na overleg met de voorzitter ter vergadering voor de behandeling van een bepaald onderwerp door een deskundige doen bijstaan.

Artikel 107a
De centrales van verenigingen van ambtenaren, die van de in artikel 106, eerste lid, vermelde bevoegdheid hebben gebruik gemaakt, doen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mededeling van haar statuten en huishoudelijke reglementen en van de daarin aangebrachte wijzigingen, zomede van de statuten en van de daarin aangebrachte wijzigingen van de bij haar aangesloten verenigingen van ambtenaren.

Zij stellen Onze genoemde Minister voorts jaarlijks in kennis van het totale ledental van de bij elk der centrales aangesloten verenigingen.

Artikel 108
1. De in artikel 105 bedoelde aangelegenheden worden door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Sectorcommissie voorgelegd. 2. Ieder der tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren is bevoegd aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepaalde onderwerpen, behorende tot de in artikel 105 bedoelde, ter plaatsing op de agenda op te geven.

Artikel 108a
Een wijziging van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, betrekking hebbende op een ambt dat is vermeld in bijlage A van dat besluit, behoort niet tot de in artikel 105 bedoelde aangelegenheden.

Artikel 108a
1. Het overleg wordt gevoerd op plaats, dag en uur door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te bepalen. 2. De vergaderingen worden in de regel te ‘s-Gravenhage gehouden. 3. Indien de vertegenwoordigers van tenminste twee tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onder vermelding van hetgeen zij behandeld wensen te zien, verzoeken daartoe een vergadering uit te schrijven, vindt deze binnen 14 dagen plaats.

Artikel 109
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verleent zijn bemiddeling om aan de Sectorcommissie een lokaliteit in een Rijksgebouw ter beschikking te stellen, indien deze Sectorcommissie daartoe een verzoek doet ten behoeve van een door haar te houden vergadering.

Artikel 110
1. Indien het wenselijk blijkt over de in artikel 105 bedoelde aangelegenheden voorbereidende besprekingen te voeren of in het overleg genomen besluiten uit te werken, geschiedt deze voorbereiding of uitwerking door werkgroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de Sectorcommissie en door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daartoe aangewezen functionarissen. 2. Het bepaalde in het vierde en vijfde lid van artikel 107 is daarbij van overeenkomstige toepassing.

Artikel 110a
1. Het standpunt van de Sectorcommissie wordt bepaald bij eenvoudige meerderheid van stemmen. 2. Elke centrale brengt één stem uit.

Artikel 110b
Voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 110d en volgende wordt verstaan onder:

a. “deelnemers aan het overleg”: de voorzitter en de tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren; b. “Advies- en Arbitragecommissie”: de Advies- en Arbitragecommissie genoemd in artikel 110g.

Artikel 110c
De artikelen 110d tot en met 110h zijn slechts van toepassing op geschillen inzake aangelegenheden als bedoeld in artikel 105 voorzover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, betreffen.

Artikel 110d
Indien de voorzitter dan wel een of meer van de centrales, in het overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet tot een uitkomst zal leiden die de instemming van alle deelnemers aan dat overleg zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen 3 dagen nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het overleg.

Artikel 110e
1. Binnen vijf dagen na de kennisgeving bedoeld in het vorige artikel, schrijft de voorzitter een overlegvergadering uit. De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven. 2. Tenzij door de voorzitter en de Sectorcommissie wordt besloten het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de Advies- en Arbitragecommissie, dan wel door middel van onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie. 3. Tot het inwinnen van advies is zowel de voorzitter als de Sectorcommissie bevoegd. 4. Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming vereist tussen alle deelnemers aan het overleg.

Artikel 110f
1. Binnen drie dagen na de vergadering bedoeld in het vorige artikel, wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van advies hebben uitgesproken en bevat tenminste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de vergadering bedoeld in het vorige artikel geen overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen drie dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie. 2. Het bepaalde in de eerste volzin van het vorige lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het onderwerpen van het geschil aan een arbitrale uitspraak. Het verzoek daartoe wordt ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient tenminste te bevatten: a. het onderwerp en de inhoud van het geschil; b. de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp en inhoud van het geschil.

Artikel 110g
1. Er is een Advies- en Arbitragecommissie, die tot taak heeft te adviseren dan wel een bindende uitspraak te doen in de geschillen die haar ingevolge de voorgaande artikelen worden voorgelegd. 2. De Advies- en Arbitragecommissie is gevestigd te ‘s-Gravenhage. Zij bestaat uit vijf leden, onder wie de voorzitter, en vijf plaatsvervangende leden. Zij worden door Ons benoemd voor een tijdvak van zes jaar. 3. Wij benoemen de voorzitter en diens plaatsvervanger op gezamenlijke voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Sectorcommissie. Van de andere vier leden en hun plaatsvervangers benoemen wij: a. twee leden en hun plaatsvervangers op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; alsmede b. twee leden en hun plaatsvervangers op voordracht van de Sectorcommissie. 4. Uitgesloten van het lidmaatschap en plaatsvervangend lidmaatschap zijn: a. personen die lid dan wel plaatsvervangend lid zijn van de Sectorcommissie; b. personen die bestuurslid zijn van, dan wel werkzaam zijn bij een centrale van verenigingen van ambtenaren als bedoeld in artikel 105 of een daarbij aangesloten vereniging; c. personen die werkzaam zijn bij de departementen van algemeen bestuur en de daaronder ressorterende instellingen, diensten en bedrijven, wier onafhankelijkheid en onpartijdigheid op grond van hun dienstverband door de deelnemers aan het overleg onvoldoende wordt geacht.
Deze personen zijn eveneens uitgesloten van het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap gedurende de periode van twee jaar na beëindiging van het lidmaatschap, plaatsvervangend lidmaatschap of bestuurslidmaatschap onder a en b bedoeld, alsmede na beëindiging van de werkzaamheden bedoeld onder b en c.

5. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst in overeenstemming met de Sectorcommissie en met de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie een secretaris aan, die de Advies- en Arbitragecommissie bijstaat. 6. Aan de leden en plaatsvervangende leden worden uit ’s Rijks kas vergoedingen voor reis- en verblijfkosten verleend volgens de regels welke voor de vergoeding voor reis- en verblijfkosten wegens reizen voor ’s Rijks dienst gelden.

Artikel 110h
1. De Advies- en Arbitragecommissie treedt in geval van advies op in een samenstelling van drie leden, onder wie de voorzitter, een van de twee leden bedoeld in het derde lid onder a van het vorige artikel en een van de twee leden bedoeld in het derde lid onder b van dat artikel. De overige twee leden treden te zamen met de voorzitter op in geval van arbitrage. Bij verhindering van een der leden treedt diens plaatsvervanger op. 2. Indien het verzoek om arbitrage naar het oordeel van de voorzitter een zelfde geschil betreft als waarover door de Advies- en Arbitragecommissie reeds advies is uitgebracht, treedt voor een lid die bij het uitbrengen van dat advies betrokken was, diens plaatsvervanger op. 3. De voorzitter draagt er zorg voor dat het advies of de uitspraak binnen vier weken, nadat de kennisgeving bedoeld in artikel 110f, is ontvangen, aan de deelnemers aan het overleg ter kennis wordt gebracht. 4. De Advies- en Arbitragecommissie stelt nadere regels vast met betrekking tot haar werkwijze.

Artikel 110i
1. De Advies- en Arbitragecommissie besluit bij meerderheid van stemmen. 2. Het advies of de uitspraak moet inhouden: a. de namen van de deelnemers die het advies of de arbitrale uitspraak hebben aangevraagd; b. een overzicht van de standpunten van alle deelnemers over het onderwerp en over de inhoud van het geschil; c. het advies dan wel de beslissing en de redenen die daaraan ten grondslag liggen. 3. Het advies of de uitspraak wordt gedagtekend en door ieder der optredende leden van de Advies- en Arbitragecommissie ondertekend.

Artikel 110j
Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het geschil voortgezet.

Artikel 110k
De uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie heeft bindende kracht.

Artikel 110l
1. Het standpunt van de Sectorcommissie over de haar voorgelegde dan wel op verzoek van haar zijde in het overleg besproken aangelegenheden wordt schriftelijk aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bevestigd, waarbij desverlangd een samenvatting van de aan dit standpunt ten grondslag liggende argumenten wordt gegeven. 2. Indien in de Sectorcommissie een minderheidsstandpunt blijkt te bestaan, wordt daarvan desverlangd in het geschrift bedoeld in het vorige lid, melding gemaakt.

Artikel 111
Indien over een aangelegenheid in afwijking van het standpunt van de Sectorcommissie wordt beslist, brengt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de redenen dier afwijking zo spoedig mogelijk ter kennis van de Sectorcommissie.

Artikel 112
Van het in de vergaderingen van het overleg en de werkgroepen behandelde maakt de secretaris notulen. Bovendien wordt een verslag opgemaakt, bevattende een beknopte samenvatting van het verhandelde, voor zover dat voor openbaarmaking geschikt kan worden geacht.

Na overleg met de Sectorcommissie onderscheidenlijk de door deze in de betrokken werkgroep aangewezen leden, kan de voorzitter ten aanzien van het in vorenbedoelde vergaderingen verhandelde, geheimhouding opleggen. De plicht tot geheimhouding geldt niet, indien en voor zover de leden van de Sectorcommissie dan wel de door haar in de betrokken werkgroep aangewezen leden in bespreking treden met de door hen vertegenwoordigde centrales of de daarbij aangesloten verenigingen.

§ 2. Het departementaal overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren

Artikel 113
1. Voor zover Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel niet anders heeft bepaald, wordt over voorgenomen besluiten tot invoering of wijziging van regels met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren en over voorgenomen besluiten tot een belangrijke reorganisatie, niet door Onze Minister beslist dan nadat door hem overleg is gevoerd met de centrales van verenigingen van ambtenaren. 2. Het overleg heeft geen betrekking op aangelegenheden waarover overleg dient te worden gevoerd met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel. 3. Een voorgenomen besluit tot invoering of wijziging van regels met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren waarover overleg met de centrales moet worden gevoerd, wordt slechts ten uitvoer gebracht indien daarover overeenstemming bestaat met ten minste de helft van de tot het overleg toegelaten centrales. 4. Het overleg over voorgenomen besluiten tot een belangrijke reorganisatie heeft slechts betrekking op de bijzondere rechtspositionele en sociale gevolgen van het voorgenomen besluit voor de betrokken ambtenaren.

Artikel 114
1. Onze Minister laat tot het overleg toe de tot de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel toegelaten centrales. 2. Schorsing dan wel intrekking van een toelating van een centrale tot de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel, heeft tot gevolg schorsing respectievelijk intrekking van de toelating tot het overleg. 3. Onze Minister kan een vertegenwoordiger van een centrale uitsluiten van deelneming aan het overleg indien naar het oordeel van Onze Minister het dienstbelang dit in verband met de werkzaamheden van betrokkene als Rijksambtenaar vordert. Voordat tot uitsluiting wordt besloten wordt het bestuur van de desbetreffende centrale in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. In afwachting van de beslissing van Onze Minister neemt betrokkene niet of niet meer deel aan het overleg.

Artikel 114a [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 115
In geval van een geschil omtrent een voorgenomen besluit tot invoering of wijziging van regels met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren waarover overleg met de centrales moet worden gevoerd, zijn de artikelen 110b en 110d tot en met 110k van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110g, voor de behandeling van het geschil wordt uitgebreid met twee bijzondere leden die worden benoemd door Onze Minister. Van deze leden wordt één lid benoemd op voordracht van de tot het overleg toegelaten centrales. Niet benoembaar tot bijzonder lid zijn:

a. personen die ingevolge artikel 110g, vierde lid, zijn uitgesloten van het lidmaatschap en het plaatsvervangend lidmaatschap; b. personen die namens de centrales aan het overleg deelnemen, dan wel wier deelname aan het overleg nog niet langer dan twee jaar is beëindigd.

Artikel 116
Onze Minister kan geheimhouding opleggen ten aanzien van hetgeen in het overleg is behandeld. De plicht tot geheimhouding geldt niet voor zover degenen die namens de centrales aan het overleg deelnemen in bespreking treden met de door hen vertegenwoordigde centrales of de daarbij aangesloten verenigingen.

Artikel 117
Onze Minister draagt er zorg voor dat de ambtenaar, die in het overleg optreedt of heeft opgetreden namens een centrale, en de ambtenaar, die lid is geweest van een bijzondere commissie, niet uit dien hoofde worden benadeeld in hun positie als ambtenaar.

Artikel 118
De artikelen 113 tot en met 117 zijn van overeenkomstige toepassing op de Raad van State, de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman, met dien verstande dat voor Onze Minister telkens wordt gelezen respectievelijk de vice-president van de Raad van State, het College van de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman.

Artikel 118a [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 119 [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 119a [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 119b [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 119c [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 120 [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 121 [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 122 [Vervallen per 03-12-1999]

Hoofdstuk XIA

§ 1

Artikel 123 [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 124 [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 124a [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 124b [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 124c [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 124d [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 124e [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 124f [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 125 [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 126 [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 126a [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 126b [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 126c [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 126d [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 126e [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 126f [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 127 [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 127a [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 127b [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 127c [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 127d [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 127e [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 127f [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 127g [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 127h [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 128 [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 128a [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 129 [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 129a [Vervallen per 03-12-1999]

Artikel 129b [Vervallen per 03-12-1999]

Hoofdstuk XII. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 130
1.
Ten aanzien van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen voor 1 januari 2004, blijven de artikelen 21a, 57a en 57b en hoofdstuk VI van het Algemeen Rijksambtenarenreglement van toepassing zoals deze luidden op 30 november 2005, met dien verstande dat voor artikel 40b in genoemd hoofdstuk VI in de plaats treedt artikel 40b zoals dat thans luidt.

2.
Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde, niet onderbroken periode van ongeschiktheid te vormen, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van artikel 3:8, of 3:10, eerste lid, van die wet, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

Artikel 130a
De ambtenaar en de gewezen ambtenaar worden geacht een aanvraag te hebben ingediend als bedoeld in artikel 38a indien de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens een dienstongeval of een beroepsziekte is gelegen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 november 2005.

Artikel 130b
Artikel 69, tweede lid, is niet van toepassing op beroepsincidenten die zich hebben voorgedaan vóór 1 december 2005.

Artikel 131
Op personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in het genot zijn van een wachtgeld, toegekend krachtens het Koninklijk besluit van 24 Juli 1869 (Staatsblad n°. 142), zooals dat besluit laatstelijk is gewijzigd, blijven de bepalingen van dat besluit van toepassing.

Artikel 132
Voor zover voor ambtenaren bij een dienstvak nadere regels ter uitwerking of aanvulling van de bepalingen van dit besluit worden vereist, worden die regels door Ons, of in overeenstemming met Ons door Onze Minister, vastgesteld.

Artikel 132a
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen in dit besluit gesteld met uitzondering van die, genoemd in de artikelen 10, tweede en derde lid, artikel 36b, derde en vierde lid, alsmede in hoofdstuk XI.

Artikel 132b
Van de bevoegdheid tot het stellen van regels met een sterk technisch karakter krachtens dit besluit, anders dan krachtens de artikelen 4a, 9 en 10, kunnen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Financiën en Onze Minister mandaat verlenen.

Artikel 133
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 September 1931.

Artikel 134
Dit besluit kan worden aangehaald als “Algemeen Rijksambtenarenreglement”.

Onze Ministers, hoofden van departementen van algemeen bestuur, zijn, ieder voor zooveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk, met de inhoudsopgave, in het Staatsblad geplaatst zal worden en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State en de Algemeene Rekenkamer.

Het Loo, den 12den Juni 1931
WILHELMINA.

De Minister van Justitie,
J. DONNER.