Buitengewoon verlof

Hoofdstuk VI. Buitengewoon verlof § 1. Algemene bepaling Artikel 32

1. Aan de ambtenaar wordt in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in de volgende artikelen van dit hoofdstuk, buitengewoon verlof verleend.

2. Buitengewoon verlof wordt verleend door het bevoegd gezag.

§ 2. Buitengewoon verlof van korte duur Artikel 33

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van de dienst niet mogelijk is, buitengewoon verlof verleend:

a. voor de uitoefening van het kiesrecht of

b. voor het voldoen aan een wettelijke verplichting.

Artikel 34

1. Indien de ambtenaar een vaste vergoeding ontvangt uit de functie waarvoor hem het in artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet bedoelde verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding toegepast over de tijd dat hij verlof geniet. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vaste vergoeding voor de met verlof overeenkomende tijd in de bedoelde functie niet te boven.

2. Onze Minister kan nadere regels ter uitvoering van het eerste lid vaststellen.

Artikel 35

1. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt jaarlijks ten hoogste 120 uren buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van verenigingen van ambtenaren, van centrale organisaties waarbij deze verenigingen zijn aangesloten, of van internationale ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar hieraan deelneemt: a. voor zover het betreft vergaderingen van verenigingen van ambtenaren als bestuurslid van die vereniging dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een onderdeel daarvan; b. voor zover het betreft vergaderingen van centrale organisaties waarbij verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten, als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren; c. voor zover het betreft vergaderingen van een internationale ambtenarenorganisatie, als bestuurslid van deze organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren.

2. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt tot ten hoogste 208 uren per jaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar die door een bond, vereniging of centrale als bedoeld in artikel 2, tweede lid, 12, tweede en zesde lid, dan wel door een bond, vereniging of centrale waarmee ingevolge artikel 22, 22a of 22b overleg wordt gepleegd, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn bond, vereniging of centrale dan wel binnen de organisatie van de werkgever, die ertoe strekken de doelstellingen van zijn bond, vereniging of centrale te ondersteunen.

3. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het deelnemen aan een cursus op uitnodiging van een organisatie van ambtenaren als bedoeld in het tweede lid, met dien verstande dat dit verlof ten hoogste 48 uren per twee jaar bedraagt.

4. Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid, alsmede op grond van artikel 18, eerste en tweede lid, van de Wet op de ondernemingsraden aan een ambtenaar mag worden verleend, bedraagt tezamen ten hoogste 240 uren per jaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 uren worden verleend aan leden van hoofdbesturen van de in het tweede lid bedoelde organisaties.

5. Het verlof, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt slechts verleend aan ambtenaren die lid zijn van de in het tweede lid bedoelde organisaties.

6. Tenzij zwaarwegende belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van de commissies, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 12, eerste lid, 21, eerste lid, 22, eerste lid, 22a, eerste lid en 22b, eerste lid, alsmede voor vergaderingen van de werkgroepen, bedoeld in artikel 18 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994. Dit geldt eveneens voor één voorvergadering per in de eerste volzin bedoelde vergadering.

7. Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt de ingevolge dit artikel geldende aanspraak op verlof vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een volledige betrekking.

8. Dit artikel is van toepassing voor zover artikel 35a geen toepassing heeft gevonden. Artikel 35a Het bevoegd gezag kan, in overeenstemming met een of meer hoofdbesturen van de verenigingen van ambtenaren die zijn toegelaten tot het overleg met de commissie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, 21, eerste lid, 22, eerste lid, 22a, eerste lid, en 22b, eerste lid, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, regels stellen inzake het toekennen van buitengewoon verlof voor vakbondsfaciliteiten.

Artikel 36

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:

a. voor het zoeken van een woning, indien het dienstbelang verhuizing vordert: ten hoogste twee dienstdagen;

b. voor verhuizing uit hoofde van dienstbelang: ten hoogste twee dienstdagen, zonodig, indien de ambtenaar een eigen huishouding heeft, te verlengen tot drie dienstdagen en in zeer bijzondere gevallen tot vier dienstdagen.

Artikel 37

1. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:

a. bij zijn huwelijk: 3 dienstdagen;

b. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en tweede graad: 1 dienstdag;

c. bij overlijden van 1. zijn echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen: vier dienstdagen; 2. bloed- of aanverwanten in de tweede graad: twee dienstdagen;

d. bij bevalling van zijn echtgenote: ten hoogste vijf dienstdagen;

e. bij zijn 25- of 40-jarig ambtsjubileum: één dienstdag.

2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huwelijk mede verstaan het aangaan van een geregistreerd partnerschap alsmede het sluiten van een samenlevings-contract als bedoeld in artikel 1, tweede lid.

3. Buitengewoon verlof dat aan de ambtenaar op grond van het eerste lid wordt verleend in verband met aanverwantschap die door zijn huwelijk is ontstaan met bloedverwanten van zijn echtgenote wordt op dezelfde wijze verleend aan de ambtenaar met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn geregistreerde partner alsmede aan de ambtenaar, die ongehuwd samenwoont als bedoeld in artikel 1, tweede lid, met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn levenspartner.

Artikel 38

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend: a. voor het afleggen van een examen voor het behalen van een diploma dat voor de uitoefening van zijn functie van belang kan worden geacht of b. voor het zitting nemen in examencommissies op politiegebied voor ten hoogste tien dienstdagen per kalenderjaar.

Artikel 39

1. Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van bezoldiging, kan bovendien worden verleend, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat daartoe aanleiding bestaat.

2. Onze Minister kan nadere regels stellen in welke gevallen het eerste lid kan worden toegepast.

Artikel 40 Het bevoegd gezag kan nadere procedurele regels stellen omtrent het aanvragen en verlenen van buitengewoon verlof van korte duur.

Artikel 40a

1. De ambtenaar heeft aanspraak op buitengewoon verlof met behoud van zijn volledige bezoldiging voor de opvang bij calamiteiten in zijn persoonlijke levenssfeer.

2. Onder calamiteit wordt verstaan:

a. ziekte of andere onverwachte gebeurtenissen waardoor een noodsituatie ontstaat in de verzorging van een of meer van de in het vierde lid bedoelde personen;

b. een onverwachte gebeurtenis waardoor het noodzakelijk is dat de ambtenaar zelf onverwijld maatregelen moet treffen ter voorkoming of beperking van schade of onheil.

3. Het verlof is bedoeld voor de eerste opvang en het treffen van noodzakelijke voorzieningen en bedraagt ten hoogste 1 dienstdag per calamiteit voor ten hoogste 3 calamiteiten per jaar.

4. De personen voor wie verzorging kan worden verleend als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zijn: de echtgenote of echtgenoot, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen van de ambtenaar.

5. De ambtenaar informeert het bevoegd gezag vooraf over het opnemen van het verlof onder vermelding van de reden.

6. Het bevoegd gezag kan verlangen dat de ambtenaar achteraf aannemelijk maakt dat daadwerkelijk sprake was van een calamiteit. Indien de ambtenaar daar redelijkerwijs niet in slaagt, kunnen de opgenomen uren in mindering worden gebracht op het vakantieverlof.

7. Voor de toepassing van dit artikel is artikel 37, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 40b

1. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van volledige bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van:

a. de echtgenote of echtgenoot;

b. een inwonend kind tot wie de ambtenaar als ouder in een familierechtelijke betrekking staat;

c. een inwonend kind van de echtgenote of echtgenoot;

d. een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als de ambtenaar en door hem duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de jeugdhulpverlening.

2. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van volledige bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met ernstige ziekte van: a. ouders; b. stiefouders; c. pleegouders; d. schoonouders; e. een niet-inwonend kind tot wie de ambtenaar in een familierechtelijke betrekking staat; f. een niet-inwonend kind van de echtgenote of echtgenoot.

3. Het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt per kalenderjaar ten hoogste tweemaal de arbeidsduur per week.

4. De ambtenaar meldt vooraf onder opgave van de reden aan het bevoegd gezag dat hij het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, opneemt. Indien deze melding voorafgaand aan het verlof niet mogelijk is, geschiedt dit zo spoedig mogelijk. Bij de melding geeft de ambtenaar ook de omvang, de wijze van opnemen en de vermoedelijke duur van het verlof aan.

5. Het bevoegd gezag kan achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met de noodzakelijke verzorging, bedoeld in het eerste en tweede lid. Indien de ambtenaar daar redelijkerwijs niet in slaagt, kunnen de opgenomen uren in mindering worden gebracht op het vakantieverlof.

6. Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend, gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop, een inhouding op de bezoldiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, toegepast die overeenkomt met het bedrag van deze financiële tegemoetkoming.

7. Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het zesde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, kan het bevoegde gezag het zesde lid op overeenkomstige wijze toepassen, mits de ambtenaar schriftelijk is gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een aanvraag. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.

8. Voor de toepassing van dit artikel is artikel 37, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 41

1. De ambtenaar die als ouder in een familierechtelijke betrekking staat tot een kind, heeft aanspraak op ouderschapsverlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in een familierechtelijke betrekking komt te staan, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op ouderschapsverlof.

2. De ambtenaar die blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en de opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, heeft aanspraak op ouderschapsverlof. Indien het op hetzelfde tijdstip meer dan één kind betreft, bestaat aanspraak op ouderschapsverlof als betrof het één kind. Indien de ambtenaar met het oog op adoptie met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op ouderschapsverlof.

3. Geen aanspraak op ouderschapsverlof bestaat na de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt.

4. Het verlof wordt uitsluitend verleend aan de ambtenaar wiens dienstbetrekking ten minste een jaar heeft geduurd.

5. Het aantal uren verlof waarop de ambtenaar ten hoogste aanspraak heeft, bedraagt een kwart van het aantal door de ambtenaar te werken uren in het kalenderjaar waarin het verlof aanvangt uitgaande van zijn arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof aanvangt.

6. Het verlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden en gelijkmatig over deze periode verdeeld. De ambtenaar kan het bevoegd gezag verzoeken in afwijking van de eerste volzin het verlof op een andere wijze aaneengesloten te genieten of het verlof op te delen in ten hoogste drie niet aaneengesloten perioden, waarbij iedere periode ten minste één maand bedraagt. Het bevoegd gezag stemt in met het verzoek tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten.

7. Over de uren waarop de ambtenaar verlof is verleend, behoudt hij 75% van zijn bezoldiging.

8. De ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van de bezoldiging over de genoten verlofuren wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van het verlof ontslag wordt verleend op aanvraag dan wel niet op aanvraag op grond van aan de ambtenaar te wijten feiten of omstandigheden. Ontslag op aanvraag gevolgd door een overgang binnen vier weken binnen de politiedienst wordt niet als ontslag beschouwd.

9. Het bevoegd gezag is verplicht in te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten. Het bevoegd gezag behoeft aan de aanvraag niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na de aanvraag. In het geval het verlof met toepassing van de eerste volzin, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt de aanspraak op het overige deel van dat verlof.

10. Het bevoegd gezag kan, na overleg met de ambtenaar, de spreiding van de verlofuren over de week op grond van gewichtige redenen van dienstbelang wijzigen tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof.

11. Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen over de wijze waarop ouderschapsverlof wordt aangevraagd.

Artikel 41a

1. De ambtenaar heeft in verband met de adoptie van een kind aanspraak op verlof met behoud van bezoldiging.

2. De aanspraak op verlof in verband met adoptie bedraagt ten hoogste drie aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende een tijdvak van zestien weken vanaf de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar aan het bevoegd gezag overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.

3. Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat de aanspraak op verlof slechts ten aanzien van één van die kinderen.

4. De ambtenaar meldt aan het bevoegd gezag het verlof in verband met adoptie uiterlijk drie weken voor de dag van ingang van het verlof onder opgave van de omvang van het verlof. Bij de melding worden documenten gevoegd waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.

5. Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend, gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de bezoldiging, bedoeld in het eerste lid, toegepast die overeenkomt met het bedrag van deze financiële tegemoetkoming. 6. Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, kan het bevoegde gezag het vijfde lid op overeenkomstige wijze toepassen, mits de ambtenaar schriftelijk is gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een aanvraag. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.

§ 3. Buitengewoon verlof van lange duur

Artikel 42 De ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is, is met buitengewoon verlof van lange duur.

Artikel 43

1. Aan de ambtenaar kan op zijn aanvraag buitengewoon verlof worden verleend, al dan niet met behoud van bezoldiging en al dan niet onder bepaalde voorwaarden.

2. Het verlof, bedoeld in het eerste lid, gaat niet in dan na aanvaarding van dat verlof met de daaraan verbonden voorwaarden door de ambtenaar. Artikel 44 Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, uitsluitend strekt tot het persoonlijk belang van de ambtenaar, kan hem dit slechts worden verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste zes maanden.

Artikel 45 Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, ten doel heeft de ambtenaar in de gelegenheid te stellen een andere functie te vervullen en met verlofverlening naar het oordeel van het bevoegd gezag niet uitsluitend het persoonlijk belang van de ambtenaar, maar ook het algemeen belang wordt gediend, kan het verlof in beginsel voor ten hoogste een jaar, zonder behoud van bezoldiging, worden verleend.

Artikel 46

1. Aan de ambtenaar, benoemd tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren, van een centrale of van een internationale organisatie van zodanige verenigingen, kan uit dien hoofde voor ten hoogste twee jaren buitengewoon verlof, zonder behoud van bezoldiging, worden verleend.

2. Artikel 35, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 47

1. Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, ten doel heeft de ambtenaar in de gelegenheid te stellen anders dan in vaste dienst hetzij een functie in dienst van een volkenrechtelijke organisatie te vervullen hetzij ten behoeve van de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel als deskundige tijdelijk ten behoeve van een vreemde mogendheid werkzaam te zijn en met verlofverlening naar het oordeel van Onze Minister het algemeen belang in overwegende mate wordt gediend, kan het verlof voor een door het bevoegd gezag te bepalen periode, al dan niet met behoud van bezoldiging, worden verleend.

2. In afwijking van het eerste lid kan aan de ambtenaar, die wenst te worden uitgezonden om in de burgerlijke landsdienst van de Nederlandse Antillen of Aruba tijdelijk een betrekking te vervullen, buitengewoon verlof worden verleend op basis van het West-Indisch Detacheeringsbesluit 1930.

Artikel 48

1. De ambtenaar die na afloop van een hem verleend buitengewoon verlof van lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn dienst niet hervat, wordt gelijk behandeld als de ambtenaar die een aanvraag tot ontslag heeft ingediend.

2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar binnen een redelijke termijn ten genoege van het bevoegd gezag aannemelijk maakt dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten in welk geval het verlof wordt verlengd tot het tijdstip waarop de bedoelde geldige redenen hebben opgehouden te bestaan.