Ontslag

Hoofdstuk 6. Ontslag Artikel 38. Bevoegdheid tot het verlenen van ontslag

1. Het verlenen van ontslag aan de militair met een officiersrang geschiedt bij koninklijk besluit.

2. Het verlenen van ontslag aan de militair met een rang beneden de rang van luitenant ter zee der 3e klasse/tweede-luitenant, of een stand, geschiedt door Onze Minister.

Artikel 39. Ontslaggronden
1. Aan de militair kan ontslag op aanvraag worden verleend, indien hij daartoe aan het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven.

2. Aan de militair kan verder uitsluitend ontslag worden verleend:

a. ter zake van het bereiken of overschrijden van de leeftijd van 58 jaar;

b. wanneer hij is aangesteld voor een bepaalde tijd, ter zake van het eindigen van de tijd waarvoor de aanstelling is geschied;

c. wanneer zijn diensten door het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag niet langer nodig worden geoordeeld, nadat hij ingevolge artikel 8 van de Uitkeringswet gewezen militairen weder is aangesteld;

d. wegens overtolligheid indien er voor hem geen functie beschikbaar is, onverminderd het bepaalde in artikel 43;

e. wanneer hij, bij ontslag uit een ambt, voor het bekleden waarvan hij op non-activiteit was gesteld: 1°. het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag niet doet blijken van zijn verlangen om in werkelijke dienst te worden gehandhaafd; dan wel 2°. ofschoon hij dat verlangen te kennen heeft gegeven, naar verwachting niet binnen twee jaren bij het krijgsmachtdeel waartoe hij behoort, of indien dat niet mogelijk is bij een ander krijgsmachtdeel, kan worden geplaatst;

f. ter zake van blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de dienst uit hoofde van een ziekte of een gebrek;

g. wanneer hij behoort tot de zeemacht en een officiersrang heeft, dan wel wanneer hij behoort tot de landmacht, luchtmacht of marechaussee – ongeacht welke rang hij heeft -, ter zake van het bereiken of overschrijden van de leeftijd van vijftig jaar, wanneer hij naar het oordeel van het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag – in verband met zijn leeftijd voor het vervullen van de dienst niet meer ten volle geschikt is;

h. wegens ontheffing van de initiële opleiding tot het volgen waarvan hij bij zijn aanstelling is aangewezen, om reden dat hij niet voldoet aan de bij die opleiding gestelde eisen;

i. [vervallen;]

j. wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie of voor de vervulling van functies binnen de groepen van functies, waarvoor hij is bestemd, wat de ongeschiktheid betreft, voor zover het bepaalde onder f of g niet toepasselijk is; een en ander onverminderd het bepaalde in artikel 43, eerste lid;

k. wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten;

l. wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt;

m. wegens een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en is gewezen in verband met een feit van zodanige aard, dat, mede gelet op het algemeen gedrag van de militair, diens ontslag in het belang van de dienst noodzakelijk is;

n. ter zake van misleiding bij zijn indiensttreding indien blijkt dat hij bij zijn aanmelding onjuiste gegevens heeft verstrekt of omstandigheden heeft verzwegen en de juiste gegevens of de verzwegen omstandigheden de aanstelling zouden hebben belet, tenzij de militair aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.

3. Aan de militair die behoort tot het reserve-personeel kan voorts ontslag worden verleend ter zake van een aanstelling in een betrekking, die krachtens enig wettelijk voorschrift onverenigbaar is met de militaire dienst.

4. Aan de militair die is aangesteld bij het reserve-personeel op grond van zijn burgerlijke betrekking kan voorts nog ontslag worden verleend ter zake van beëindiging van die burgerlijke betrekking.

5. Aan de militair die behoort tot het reserve-personeel op grond van artikel 67 van de Kaderwet dienstplicht kan voorts nog ontslag worden verleend: a. ter zake van het eindigen van zijn dienstplicht; b. ter zake van het eindigen van zijn dienstverhouding bij het reserve-personeel, indien het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag handhaving van die dienstverhouding niet langer nodig oordeelt.

6. a. Aan de militair behorend tot het beroepspersoneel die de rang van commandeur, brigade-generaal of commodore bekleedt, of die een hogere rang bekleedt, kan voorts ontslag worden verleend. 1°. op voordracht van Onze minister-president en Onze Minister, wanneer het belang van de dienst dit noodzakelijk maakt; 2°. op andere gronden; b. In deze gevallen wordt bij koninklijk besluit – in het geval bedoeld onder a, ten eerste, op de gezamenlijke voordracht van Onze minister-president en van Onze Minister – een regeling getroffen waarbij aan de betrokkene een uitkering wordt toegekend welke met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Die regeling zal in geen geval nadeliger mogen zijn dan die volgens welke de uitkering ingevolge de Uitkeringswet gewezen militairen zou zijn toegekend, waarop de betrokken militair aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hem, in plaats van vorenbedoeld ontslag, op grond van het tweede lid onder a, ontslag zou zijn verleend.

7. Aan de militair voor wie na de aanstelling een proeftijd geldt, kan tijdens die proeftijd ontslag worden verleend zonder toepassing van één van de in het tweede lid genoemde ontslaggronden. Artikel 39a. Overgangsbepaling ontslagleeftijd In afwijking van artikel 39, tweede lid, onder a, kan aan de militair die vóór 1 januari 2002 voor onbepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel, ontslag worden verleend wegens het bereiken of overschrijden van de volgende ontslagleeftijd: a. Voor de militair van de zeemacht zonder rang, of die een rang bekleedt lager dan luitenant ter zee der derde klasse, die de leeftijd van vijftig jaar bereikt: 1°. in het jaar 2002, 2003, 2004, of 2005: vijftig jaar; 2°. in het jaar 2006: vijftig jaar en drie maanden; 3°. in het jaar 2007: vijftig jaar en zes maanden; 4°. in het jaar 2008: vijftig jaar en negen maanden; 5°. in het jaar 2009: eenenvijftig jaar; 6°. in het jaar 2010: eenenvijftig jaar en drie maanden; 7°. in het jaar 2011: eenenvijftig jaar en zes maanden; 8°. in het jaar 2012: tweeënvijftig jaar; 9°. in het jaar 2013: tweeënvijftig jaar en zes maanden; 10°. na 1 januari 2014: drieënvijftig jaar; b. Voor de militair van de zeemacht, die de rang bekleedt van luitenant ter zee der derde klasse, luitenant ter zee der tweede klasse of luitenant ter zee der tweede klasse oudste categorie, die de leeftijd van tweeënvijftig jaar bereikt: 1°. in het jaar 2002, 2003, 2004 of 2005: tweeënvijftig jaar; 2°. in het jaar 2006 : tweeënvijftig jaar en drie maanden; 3°. in het jaar 2007: tweeënvijftig jaar en zes maanden; 4°. in het jaar 2008: tweeënvijftig jaar en negen maanden; 5°. in het jaar 2009: drieënvijftig jaar; 6°. in het jaar 2010: drieënvijftig jaar en drie maanden; 7°. in het jaar 2011: drieënvijftig jaar en zes maanden; 8°. in het jaar 2012: vierenvijftig jaar; 9°. in het jaar 2013: vierenvijftig jaar en zes maanden; 10°. na 1 januari 2014: vijfenvijftig jaar; c. Voor de militair van de zeemacht die de rang bekleedt van luitenant ter zee der eerste klasse, of een hogere rang: 1°. van 1 januari 2002 tot en met 30 juni 2002: drieënvijftig jaar en zes maanden; 2°. van 1 juli 2002 tot en met 30 juni 2003: drieënvijftig jaar en negen maanden; 3°. van 1 juli 2003 tot en met 30 juni 2005: vierenvijftig jaar; 4°. van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006: vierenvijftig jaar en drie maanden; 5°. van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2007: vierenvijftig jaar en zes maanden; 6°. van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008: vierenvijftig jaar en negen maanden; 7°. van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2008: vijfenvijftig jaar; d. Voor de militair van de zeemacht die de rang bekleedt van luitenant ter zee der eerste klasse, of een hogere rang, die de leeftijd van vijfenvijftig jaar bereikt: 1°. in het jaar 2009: vijfenvijftig jaar en drie maanden; 2°. in het jaar 2010: vijfenvijftig jaar en zes maanden; 3°. in het jaar 2011: vijfenvijftig jaar en negen maanden; 4°. in het jaar 2012: zesenvijftig jaar; 5°. in het jaar 2013: zesenvijftig jaar en drie maanden; 6°. in het jaar 2014: zesenvijftig jaar en zes maanden; 7°. in het jaar 2015: zevenenvijftig jaar; 8°. in het jaar 2016: zevenenvijftig jaar en zes maanden; e. Voor de overige militairen, die de leeftijd van vijfenvijftig jaar bereiken: 1°. in het jaar 2002, 2003, 2004, of 2005: vijfenvijftig jaar; 2°. in het jaar 2006: vijfenvijftig jaar en drie maanden; 3°. in het jaar 2007: vijfenvijftig jaar en zes maanden; 4°. in het jaar 2008: vijfenvijftig jaar en negen maanden; 5°. in het jaar 2009: zesenvijftig jaar; 6°. in het jaar 2010: zesenvijftig jaar en drie maanden; 7°. in het jaar 2011: zesenvijftig jaar en zes maanden; 8°. in het jaar 2012: zevenenvijftig jaar; 9°. in het jaar 2013: zevenenvijftig jaar en zes maanden.

Artikel 40. Ontslag bij aanvaarding van het ambt van minister of staatssecretaris
Aan de militair die behoort tot het beroepspersoneel en die een benoeming tot minister of staatssecretaris aanvaardt, wordt ontslag verleend. Artikel 41. Aanduiding van het ontslag Het ontslag wordt “eervol” verleend, behoudens in de gevallen, genoemd in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, l, m en n, in welke gevallen het ontslag zonder die aanduiding wordt verleend. Artikel 42. Afwijzing van een aanvraag om ontslag 1. Een aanvraag van de militair om ontslag uit de dienst kan uitsluitend worden afgewezen: a. in geval van buitengewone omstandigheden; b. gedurende de tijd dat hij is ingedeeld bij een gedeelte van de krijgsmacht, waaraan de bekendmaking, bedoeld in artikel 71 van het Wetboek van Militair Strafrecht is gedaan; c. gedurende de tijd waarin naar het oordeel van Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van Ministers, het landsbelang wegens bijzondere omstandigheden vordert dat het ontslag niet wordt verleend; d. indien op hem nog de verplichting rust om deel uit te maken van het beroeps- of het reserve-personeel; e. indien dit nodig is voor het onderzoek omtrent een strafbaar feit waarvan hij wordt verdacht, dan wel indien hij strafrechtelijk wordt vervolgd of een naar aanleiding van zodanige vervolging tegen hem gewezen rechterlijke uitspraak nog niet in kracht van gewijsde is gegaan; f. indien Onze Minister besloten heeft hem in aanmerking te brengen voor ontslag om een van de redenen, genoemd in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, l, m en n, of het nemen van zodanig besluit overweegt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de militair voor wie na de datum van ingang van de aanstelling een proeftijd geldt, gedurende die proeftijd.

Artikel 43. Ontslag wegens overtolligheid van personeel of onbekwaamheid/ongeschiktheid
1. Ontslag van een voor onbepaalde tijd aangestelde militair om de reden, genoemd in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder d of j kan slechts plaatsvinden indien het naar het oordeel van de minister na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de militair binnen zijn krijgsmachtdeel, of indien dit niet mogelijk is bij een ander krijgsmachtdeel, een andere, mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passende, functie toe te wijzen, dan wel indien hij een zodanige functie weigert te aanvaarden. In het onderzoek wordt de mogelijkheid tot bij- of omscholing van de militair betrokken.

2. Indien meerdere functies worden opgeheven in verband met een reorganisatie of een wijziging van de personeelssamenstelling van een krijgsmachtdeel, vindt ontslag wegens overtolligheid plaats naar een vooraf vastgesteld en bekendgemaakt plan. Artikel 44. Ontslag wegens blijvende geestelijke of lichamelijke ongeschiktheid Ontslag om de reden, genoemd in artikel 39, tweede lid onder f, wordt pas verleend, nadat de militair ter zake van het ontstaan, de aard en de gevolgen van zijn ziekte of gebrek is onderworpen aan een geneeskundig onderzoek naar de regelen, gesteld bij het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen.

Artikel 45. Ontslag wegens onvoldoende waarborg voor getrouwe plichtsvervulling
1. Ontslag om de reden als bedoeld in artikel 12g, tweede lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931, kan slechts plaatsvinden met medewerking van Onze Minister-President dan wel, indien het de militair met een officiersrang betreft, op voordracht van Onze Minister-President en Onze Minister. Daaraan voorafgaand wordt het advies ingewonnen van een commissie, bestaande uit vijf leden en vijf plaatsvervangende leden.

2. De leden en de plaatsvervangende leden van de commissie, bedoeld in het eerste lid worden bij koninklijk besluit benoemd op voordracht van Onze Minister-President en van Onze Minister. De taak, samenstelling en werkwijze van de commissie worden bij de instelling geregeld.

Artikel 46 [Vervallen per 04-09-1998]

Artikel 47. Datum van ingang van het ontslag
1. Ontslag wordt in het algemeen verleend met ingang van de eerste dag van een kalendermaand.

2. Een ontslag op aanvraag anders dan tijdens de proeftijd en een ontslag om een van de redenen, genoemd in artikel 39, tweede lid onder c, d, e, f, g, en j, gaan niet eerder in dan nadat ten minste drie maanden zijn verstreken sedert het tijdstip waarop het aanvraag om ontslag is ingediend onderscheidenlijk de militair van de beslissing tot ontslagverlening schriftelijk in kennis is gesteld.

3. Een ontslag op aanvraag tijdens de proeftijd en de ontslagen, bedoeld in artikel 39, tweede lid onder h, en zevende lid, gaan niet eerder in dan nadat ten minste een maand is verstreken sedert het tijdstip waarop het aanvraag om ontslag is ingediend of de militair van de beslissing onderscheidenlijk het voorstel tot ontslagverlening schriftelijk in kennis is gesteld.

4. De in het tweede en derde lid genoemde termijnen kunnen op verzoek van de militair worden bekort.

5. De ingangsdatum van reeds verleend ontslag kan worden opgeschort indien en voor zolang zich één van de omstandigheden voordoet, bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder a, b, c en e, alsmede indien zich een omstandigheid voordoet die naar het oordeel van het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag grond oplevert voor ontslag om één van de redenen, genoemd in artikel 39, tweede lid onder k, l, m of n. 6. Een ontslag ten gevolge van het aanvaarden van het ambt van minister of staatssecretaris, als bedoeld in artikel 40, gaat in op de dag van aanvaarding van dit ambt. Artikel 48. Intrekking van reeds verleend ontslag Ontslag dat is verleend om een andere reden dan genoemd in artikel 39, tweede lid onder k, l, m of n, en dat nog niet is ingegaan, wordt ingetrokken, indien zich inmiddels een omstandigheid heeft voorgedaan die het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag aanleiding geeft de militair te ontslaan om één van de redenen, genoemd in artikel 39, tweede lid onder k, l, m of n.

Artikel 49. Ontslag tijdens verblijf buiten Nederland
1. In afwijking van artikel 47, tweede lid, kan het tijdstip van ingang van een ontslag-op-aanvraag van de militair die om redenen van dienst buiten Nederland verblijft, worden uitgesteld voor de tijd die onvermijdelijk nodig is om hem aldaar te vervangen, maar voor ten hoogste drie maanden.

2. Het ontslag van de militair die om redenen van dienst buiten Nederland verblijft, gaat eerst in op een datum gelegen na het tijdstip van zijn terugkeer in Nederland. 3. Van het tweede lid kan worden afgeweken, indien de militair zulks aanvraagt en het dienstbelang zich naar het oordeel van het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag niet verzet tegen inwilliging van het aanvraag, of indien de terugkeer niet tijdig plaatsvindt ten gevolge van omstandigheden die zijn te wijten aan de schuld of het toedoen van de militair.

Artikel 50 [Vervallen per 23-05-2003]

Artikel 51. Getuigschrift
1. Aan de militair aan wie ontslag wordt verleend nadat hij ten minste één jaar in werkelijke dienst is geweest, wordt op zijn verzoek de bevelhebber een getuigschrift uitgereikt. 2. Het getuigschrift vermeldt: a. de begindatum en einddatum van de dienstverhouding, alsmede de arbeidsduur per week; b. de aard van de verrichte werkzaamheden; c. de wijze waarop de militair zijn werkzaamheden heeft verricht; d. de grond waarop aan de militair ontslag is verleend. 3. De in lid 2, onderdelen c en d, genoemde gegevens worden slechts op verzoek van de militair in het getuigschrift vermeld.

Artikel 52 [Vervallen per 12-06-1991]

Artikel 53. Ontslag van rechtswege
De militair is van rechtswege ontslagen:

a. zodra hij het Nederlanderschap verliest;

b. zodra een tegen hem gewezen vonnis waarbij de bijkomende straf van ontzetting van het recht om bij de gewapende macht te dienen is opgelegd zonder dat daarbij is bepaald dat deze straf geheel of gedeeltelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd, in kracht van gewijsde is gegaan. In deze gevallen wordt de militair door Onze Minister schriftelijk in kennis gesteld van het feit dat, de datum met ingang waarvan en de reden waarom hij van rechtswege ontslagen is.

Gratis eerste advies aanvragen
Online second opinion
Direct inschrijven voor een cursus