Berisping

Een ambtenaar die met een berisping wordt geconfronteerd, moet op zijn hoede zijn, maar behoeft zich de berisping niet zonder meer te laten welgevallen. De beslissing tot strafoplegging wordt vastgelegd in een besluit. Ook de schriftelijke berisping dient derhalve te worden beschouwd als een publiekrechtelijke rechtshandeling en daarmee als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Dit betekent dat de ambtenaar tegen een schriftelijke berisping gebruik kan maken van de gebruikelijke rechtsmiddelen. Dat wil zeggen: het indienen van een bezwaarschrift, het instellen van beroep bij de rechtbank, een schriftelijke voorziening vragen bij de rechtbank en hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Voor de ambtenaar bestaat dus de mogelijkheid om de schriftelijke berisping aan te vechten. Hij kan daartoe aanvoeren dat er sprake is van onevenredigheid tussen de ernst van het plichtsverzuim en de opgelegde straf van een schriftelijke berisping, of dat er geen sprake is van plichtsverzuim. Van het laatste is bijvoorbeeld sprake als de betrokken verplichting niet onrechtmatig was. In dit geval is er geen sprake van plichtsverzuim en was de werkgever niet bevoegd een disciplinaire straf op te leggen.

De Centrale Raad van Beroep stelt voorop dat het volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 16 oktober 1997, LJN AK 6390 en TAR 1998,1) in het ambtenarenrecht niet gaat om de vaststelling van strafbare feiten. De bestuursrechter in ambtenarenzaken die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, dient vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich heeft schuldig gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten kunnen ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit (CRvB 15 januari 2009, LJN: BH0787, CRvB, 07/427 AW).