Vrijheid van meningsuitging

Ambtenaar en vrijheid van meningsuiting

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens noemde het ‘one of the essential foundations of a democratic society, one of the basic conditions for its progress and for the development of man’. Het recht op vrijheid van meningsuiting, zoals onder andere vervat in artikel 7 van de Grondwet, kan niet alleen op de instemming rekenen van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, maar behoort voor velen tot het allerhoogste goed. Het recht op vrijheid van meningsuiting kent echter, ondanks het haast unanieme oordeel inzake haar importantie, haar grenzen. De vraag is echter waar het recht op vrijheid van meningsuiting van de ambtenaar, als diender van het publieke belang, haar grenzen vindt?

Het recht op vrijheid van meningsuiting is, onder meer, verankerd in artikel 7 van de Grondwet en luidt, voor zover relevant, als volgt: ‘1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’.

Ondanks het haast unanieme oordeel dat het voornoemde grondrecht behoort tot het allerhoogste goed, volgt uit de zinsnede ‘behoudens ieders verantwoordelijk volgens de wet’ dat het geen onbeperkt recht is. De uitoefening van voornoemd recht kan worden beperkt door de wet. In artikel 125a van de Ambtenarenwet (hierna: AW) is voor de ambtenaar een zodanige beperking op het voornoemde grondrecht geregeld. Op grond van artikel 125a AW dient een ambtenaar zich te onthouden van het openbaren van gedachten en gevoelens indien daardoor de ‘goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd’. In andere woorden, het bevoegd gezag kan het aan de ambtenaar toekomende recht op vrijheid van meningsuiting beperken op het moment dat door diens uitlatingen de goede vervulling van zijn functie in gevaar komt, of doordat diens uitlatingen een verstoring teweeg brengen van dat deel van de openbare dienst waar de ambtenaar functioneel bij betrokken is.

Jurisprudentie

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dient het bevoegd gezag een zekere voorzichtigheid te betrachten bij de beoordeling of een ambtenaar de norm van artikel 125a AW heeft geschonden (zie onder meer CRvB 7 januari 2012, LJN: BK9640). Het niet snel aannemen van een zodanige schending houdt direct verband met het door de wetgever onderschreven standpunt dat de openbare dienst in een democratische samenleving in de concrete onderdelen daarvan zekere spanningen en complicaties moet kunnen verdragen die het gevolg zijn van de uitoefening van grondrechten door ambtenaren. Gelet op het voorgaande, zal het bevoegd gezag, om na te gaan in hoeverre de door de ambtenaar gedane uitingen een goede functionering van de openbare dienst of een goede functievervulling in gevaar brengen, een nauwgezet onderzoek dienen te doen naar de feiten en omstandigheden waaronder de door de ambtenaar gedane uitingen tot stand zijn gekomen en naar de gevolgen van de voornoemde uitingen. In dit kader kan geconcludeerd worden dat slechts bij verstoringen van het functioneren van een zekere ernst en duur, de norm van artikel 125a AW geschonden kan worden geacht. Het is voorts van belang te vermelden dat de voornoemde verstoringen primair het gevolg moeten zijn van de gedragingen van de ambtenaar in kwestie. De ambtenaar moet, tenslotte, bij zijn betwiste gedragingen in redelijkheid hebben kunnen overzien dat deze verstorende gevolgen zouden kunnen hebben.

Ter completering van het voorgaande, dient te worden besloten met het feit dat het bevoegd gezag, afgezien van het gegeven dat zij aannemelijk dient te maken dat de door de ambtenaar gedane uitingen de norm van artikel 125a AW hebben geschonden, genoegzaam moet aantonen dat het belang van de door haar aangelegde beperking op het recht op vrijheid van meningsuiting opweegt tegen het belang dat het voornoemde grondrecht onverkort blijft gelden (proportionaliteitsbeginsel) en dat het met de voornoemde beperking beoogde doel niet langs een andere weg, zonder beperking van het reeds genoemde grondrecht, kan worden bereikt (subsidiariteitsbeginsel).