Terugvordering

Terugvordering in het ambtenarenrecht

Indien de ambtenaar teveel salaris heeft ontvangen, ten onrechte een bedrag heeft ontvangen van de overheidswerkgever, dan bestaat voor het bestuursorgaan om hetgeen teveel is ontvangen terug te vorderen. Deze terugvorderingsactie is aan regels gebonden. De Centrale Raad van Beroep heeft meermalen bepaald dat met name het handelen van de ambtenaar zelf een rol van betekenis kan spelen bij de terugvorderingsactie. Met betrekking tot terugvorderingen herhaalde de Raad zijn vaste jurisprudentie dat voor het aannemen van ‘toedoen’ geen opzet of kwade trouw is vereist, doch voldoende is dat onjuiste of onvolledige inlichtingen zijn verstrekt, dan wel het ‘toedoen’ de betrokkene anderszins kan worden toegerekend (CRvB 20 maart 2003, TAR 2003, 137, AK8406 en CRvB 30 december 2003, TAR 2004, 46, AO2037).

Termijn voor terugvordering

Met andere woorden en een voorbeeld ter verheldering. Als de ambtenaar een dubbel salaris krijgt gestort van de overheidswerkgever, dan heeft de overheidswerkgever twee jaren de tijd om het dubbel salaris terug te vorderen van de ambtenaar. De ambtenaar heeft het dubbele salaris welliswaar ontvangen, maar heeft hiertoe niet zelf aan bijgedragen (meegewerkt) aan geleverd. Dit wordt anders als de ambtenaar op de salarisadministratie werkt en (moedwillig) een dubbel salaris aan zich zelf heeft uitgekeerd. In dat laatste geval heeft de overheidswerkgever een verlengde termijn van vijf jaren om het dubbele salaris terug te vorderen

Jurisprudentie

In CRvB 24 januari 2003, TAR 2003, 98, AK8378 overwoog de Raad dat de regel – dat het rechts-zekerheidsbeginsel en het beginsel van een behoorlijke belangenafweging meebrengen dat een betaling waarvan de onverschuldigdheid de betrokkene ten tijde van de betaling redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn in het algemeen niet kan worden teruggevorderd – uitzondering lijdt indien de onverschuldigdheid van een betaling eerst door een latere wijziging van omstandigheden met terugwerkende kracht is ontstaan, en de betrokkene daardoor alsnog aanspraak verkrijgt op een bedrag ter compensatie van het wegvallen waarvan de betaling van uitkering diende. In een dergelijk geval kan terugvordering in beginsel plaatsvinden uiterlijk twee jaar nadat de betrokkene de onverschuldigdheid redelijkerwijs duidelijk kon zijn, of uiterlijk vijf jaar nadien indien de fout door toedoen van de betrokkene is ontstaan.

In CRvB 30 januari 2003, TAR 2003, 101, AK8379 oordeelde de Raad dat bij zelfstandigen het terugvorderingstelsel uit CRvB 26 april 1990, TAR 1990, 138, AK4964 niet onverkort van toepassing is. Wanneer de later beschikbaar gekomen gegevens afwijken van de opgegeven schatting van inkomsten is geen sprake van ‘toedoen’. Indien uit die gegevens volgt dat een te hoog bedrag aan uitkering is uitbetaald, dan past het in bedoeld stelsel om aan te nemen dat met ingang van de dag na ontvangst van de gegevens een termijn van twee jaar gaat lopen waarbinnen het bestuursorgaan bevoegd is het verschil terug te vorderen.

In een terugvorderingzaak waarbij het bestuursorgaan in hoger beroep kwam en betrokkene in verweer betwistte dat de terugvordering kon worden gebaseerd op ‘toedoen’ overwoog de Raad dat hij, in aanmerking genomen de verwevenheid tussen de beslissing om gebruik te maken van de bevoegdheid tot terugvordering en het daaraan ten grondslag gelegde ‘toedoen’ – in lijn met zijn uitspraak van 16 december 1999, TAR 2000, 29, AA4886 – ook de vraag of inderdaad sprake is van ‘toedoen’ in zijn beoordeling zou betrekken (CRvB 13 november 2003, TAR 2004, 13, AN8824 ).

In een zaak over de terugvordering van studiekosten door de voormalige werkgever (CRvB 24 januari 2003, TAR 2003, 99, AF4656 ) overwoog de Raad dat de gebondenheid van een ambtenaar aan een bij het aangaan van de dienstbetrekking gesloten ‘overeenkomst’ berust op het beginsel van rechtszekerheid en dat dit beginsel volgens vaste jurisprudentie met zich meebrengt dat de ambtenaar in beginsel gehouden is tot nakoming van een toezegging of akkoordverklaring welke hij vrijwillig en zonder dwaling jegens een bestuursorgaan heeft gedaan of afgelegd, tenzij het onderwerp van die toezegging of akkoordverklaring op zodanige wijze in strijd is met enig algemeen verbindend voorschrift of anderszins zodanig onhoudbaar of ontoelaatbaar is, dat het bestuursorgaan niet van de ambtenaar had mogen vergen daarmee in te stemmen.